6 oktober 2022
De Onkrant
Onkrant Columns
 
 
 
 
Onkrant Columns karl barth en de neo-barthiaanse theologie

laatste update : 28 juli 2022

Meer weten over de neo-barthiaanse theologie ? Schrijf u dan in op het forum.

Gratis lidmaatschap. Plaatsingen zijn onregelmatig met pauzes.

Ook worden artikelen besproken en nieuwe boeken aangekondigd.

Karl Barth en het herstel van de Uitverkiezings-machine - 1 januari 1970

 

Karl Barth en het herstel van de Uitverkiezings-machine


Zoals gezien pakt Karl Barth alle christelijke en gereformeerde termen en geeft er een andere betekenis aan. Die beschrijft hij uitgebreid in de KD, de kerkelijke dogmatiek, die uit vier hele grote delen bestaan, die ook weer onderverdeeld zijn. Hij schrijft paradoxaal, dialectisch, en het is dus voor meerdere interpretaties vatbaar en moet ook uitgewerkt worden. Ik heb er al heel lang over willen prediken, maar het was de tijd er nog niet voor. Er moest eerst een goed fundament voor zijn. Ik heb hetzelfde als Karl Barth gedaan met Calvijn en de reformatie, namelijk andere, diepere betekenissen gegeven aan de termen, opdat er doorgang zou zijn. We spreken dus van dit proces : van Calvijn tot Barth, wat dus ook neerkomt op : van Dordrecht tot Bazel. We kunnen niet zomaar kriskras deze dingen doen, want we hebben te maken met theologische kernenergie, in een zwaar beveiligde theologische kerncentrale. Wie hier dus te licht over denkt : Houd je er alsjeblieft niet mee bezig. Dit is alleen voor mensen die beseffen dat de geestelijke strijd zich op het terrein van de systematische theologie bevindt. Aan Karl Barth ontkom je dan niet, zoals je ook niet ontkomt aan Calvijn.


Barth noemt de Heilige Geest : de hemelse zelfverklaring. Waarom zijn er altijd drie personen geweest in de theologie van de voorouders ? Dat is heel belangrijk, want het gaat niet buiten het hemelse zelf om, want dan zou het slechts projectie zijn, afschuiverij. De Heilige Geest is dus de agent die dat in de gaten houdt. Anders zou het luiheid zijn. We moeten immers als eerste een kanaal zijn, een leeg kanaal, wat Barth het Geloof noemt. Deze buizen lopen ook overal door het theologische systeem, de theologische electriciteits-centrale. En mensen, houd dit goed in de gaten, want als je zomaar te vol bent van jezelf, en het staat allemaal zomaar op zichzelf, zonder kennis, zonder toewijding aan het hogere, dan wordt het zaakje corrupt, raakt het verstopt. Veel zelfverwezenlijking vandaag de dag is gewoon een ego-trip. Het begint met zelfverloochening, het Geloof, in Barth’s theologie. Een kanaal op zich zijn is niet voldoende, want de mens moet het hogere ook worden en zijn, in de paradox, in de dialectiek, om zo te kunnen bestaan. De hemelse zelf-factor en zelf-indicator, de zelfverklaring, is waar de Heilige Geest voor staat. Die hemelse Agent moet er dus wel zijn, zodat de mens niet gaat lopen sjoemelen, en de Heilige Geest wijst altijd op God, op de Kennis, dus de Heilige Geest, het Zelf, mag niet totaal op zichzelf staan, maar heeft de Hogere Kennis nodig, en moet dat ook worden en zijn, als de voltooier en volle waarheid. Als de mens dus afdwaalt in projectie spelletjes, of ego-trips, dan krijg de mens een duw van de Heilige Geest, de hemelse zelfverklaring. Het zijn belangrijke shockers in de buizen.


Barth stelt dat de Heilige Geest niet de geest van de mens is, maar van God en God Zelf. De Heilige Geest komt voort vanuit God, en de Zoon, en verbindt dan ook God en de Zoon. Dat is weer de hemelse gezinsstructuur, en we kunnen dan stellen Moeder en Zoon, en daartussen ligt het Zelf, de Heilige Geest. Daarvoor heb je dus Geloof nodig, oftewel de ontlediging, de nederigheid, de zelfverloochening. Maar het Zelf zomaar op zichzelf laten bestaan in alle letterlijkheid is dus levensgevaarlijk. Vandaar dat we telkens weer terugkomen bij de theologie, bij de godsdienstwetenschap en moeten beseffen dat het daar toch moet gebeuren. De Heilige Geest is degene die het hemelse Zelf bevestigt aan de mens. Door dit wonder ontstaat het Woord. We spreken dus over het Kennis-Zelf, en niet zomaar zelfgerichtheid. De Heilige Geest, het hemelse Zelf, wijst altijd op de hemelse Kennis. In die samenwerking, op die brug, ontstaat het Woord.


De Heilige Geest herinnert dus aan de eigen verantwoordelijkheid, zonder af te doen aan het Geloof, aan de zelfverloochening. Dat is de paradox. De Heilige Geest bevestigt en bekrachtigd juist de zelfverloochening, het Geloof. Ga je daarin mis : Jammer dan. Het eindigt in onbestaan. Het menselijke zelf bestaat namelijk niet. Het ego is de illusie van de zonde.


Het gaat dus om de barthiaanse en neo-barthiaanse betekenissen van het geloofsgoed van de voorouders, om het functie en waarde te geven, anders gaan we erdoor te gronde. Het ligt te sterk in ons wezen. Het is te diep en fundamenteel. Het is de hartslag van de mens. De rivieren zijn te sterk, maar de mens heeft hemelse stuwdammen en kanaliseringen nodig.


We mogen de invloed van Karl Barth niet onderschatten. Het ligt aan de basis van de huidige samenleving. Het moet daarom wel uitgewerkt worden en gepredikt. Er moet een goed commentaar op komen. Daarvoor is het nu de tijd. De kerkgeschiedenis gaat door bedelingen. Het moet richting krijgen, en fundament. Dingen gaan niet meer weg, maar betekenissen kunnen veranderen. Daarin is de paradox dus belangrijk. Het Egyptische Moeder Dodenboek spreekt van de oprichting van een drievoudig snoer, als de mens door het dodenboek tot de ondergrondse nederzetting van de oude moeders gaat waar de armoe is geheiligd. En het snoer zou gaan bewegen om heil te brengen. De hemelse Moeder (God), de Zoon en het hemelse Zelf (de Heilige geest), zijn de hemelse drie-eenheid. Geloof, zelfverloochening, zou dan de vierde zijn, tot een viereenheid, en Genade, de hemelse Wil en Werken, de vijfde, tot een vijfeenheid. Geloof is dus belangrijk als de zelfontlediging. Zo werkt de barthiaanse en neo-barthiaanse kerncentrale.


De Heilige Geest, het hemelse Zelf, maakt de mens levend tot de levende kennis van de hemelse werken (Genade, vgl. genadegaven), en doet de mens ontwaken tot het geloof, de ontlediging,stelt Barth. Daarin is ook altijd de hemelse afstand aanwezig, want God is het totale andere, wat de paradox inhoudt. Niemand kan er dus zomaar mee weghollen in deze kerncentrale. Niemand kan het zomaar even wegstellen. De hemelse afstand, het totaal anders zijn van God, bewaakt alles. God is en blijft de Onbekende, de Ongekende, en de Verborgene, en staat altijd weer haaks op de mens, dialectisch. In de Genade, wat dus niet zomaar de westerse evangelische genade is voor de duidelijkheid, is dus de leiding, de richting. In de paradox, in de dialectiek, kan dus zeker het vleselijke, het menselijke, het niet verdienen, maar het geestelijke, hemelse dus wel, en daar reageert God op. Die paradox komen we ook vaker in de bijbel tegen, zoals bij het oordelen : niet door het vlees, maar wel door het geestelijke, het hemelse. En die paradox is er ook in het omgaan met de doden. Het westerse heeft alles eenzijdig gemaakt, door gebrek aan vertaling, en daarom moest Karl Barth komen met de dialectiek. De dialectiek was er al in de filosofie bij Fichte, Kant en Hegel, de Duitse verlichtingsfilosofen, en oorspronkelijk komt het uit het Egyptische dualisme.


Karl Barth voorzag wat gevaren van het ‘zijn’, en stelde dat het ‘zijn’ niet losgekoppeld moest zijn van het hemelse werk. Het moet dus een werkwoord zijn. Hij stelde dat het ‘zijn’ ook ‘het werk’ is. Daarin heeft het zijn identiteit, in de hemelse industrie. Het Zelf is dus ook een werkwoord, zoals ze weleens zeggen : ‘De Heilige Geest is God in werkkleding’, en is daarom onlosmakelijk verbonden aan de Genade, de wil en werken van God. Er is altijd dit nauwe verband geweest tussen de heilige Geest en de geestelijke gaven (genade gaven). De kerk is dan datgene wat plaatsvindt wanneer God bepaalde mensen laat leven als zijn kinderen en zijn werkers, als getuigen (gelovigen) van deze dingen. Barth stelt dat dit de eerste vruchten zijn. Dat is dus een hemelse kerk, God zelf, want de mens bestaat niet. Het is dus archetypisch. De Kerk, het hemelse gezin, is de hemelse uitverkiezing, de zesde, tot een zes-eenheid. Zoals we zagen is de hemelse Uitverkiezing het heilige Toetsen. De mens is kapotgemaakt en getraumatiseerd door de menselijke uitverkiezing, en daarom moet de Uitverkiezing hersteld worden. We hebben het over de Heilige Uitverkiezing, het herstel van de uitverkiezings-machine, de hemelse uitverkiezing. Zo wordt de gehele zes-eenheid hersteld. Het heilige toetsen is zowel de uitverkorene als de uitverkiezer. Het is dus een systeem van toetsologie. Dat is wat theologie in diepte is. Alles staat of valt met de hemelse uitverkiezing. Het is altijd iets groots geweest en iets paradoxaal. Hoe heerlijk zal het zijn als je de ware uitverkiezing in je hart ontvangt, en zowel het ja als het nee mag aanvaarden.


De Uitverkiezing, de hemelse kerk, is de Moeder van God, zoals zij ook genoemd wordt, de Moeder van de Moeder. Hierin vinden wij de bron van het bestaan van God, zoals Barth het al stelde, dat God zichzelf heeft uitverkoren. Door deze uitverkiezing bestaat God, maar de mens bestaat niet. Alleen God is uitverkoren, en alleen het hemelse zoonschap is uitverkoren. God staat haaks op de mens. Dat is dus de paradox, de dialectiek. Er is geen leven en bestaan buiten God, buiten de hemelse Uitverkiezing. De valse uitverkiezing bestaat dus niet, en is dus ook niet uitverkoren. In die zin bestaat alleen maar het hemelse werk, en de hemelse werker (de Genade, de genadigen, genadevollen, de begenadigden).

de profetische en buitenaardse komst van Barth - 1 januari 1970

 

 

de profetische en buitenaardse komst van Barth


In de barthiaanse theologie is geloof niet iets onbenulligs, geen letterlijk blind geloof en allerlei onwetendheid of vooroordelen, maar juist zelfverloochening. We gaan zien hoe dat in de systematische theologie werkt.


De Uitverkiezing is paradoxaal. Het moet het vleselijke verwerpen en het geestelijke aanvaarden. Dat gebeurt in het zoonschap, want er is zowel vleselijk zoonschap als geestelijk, hemels zoonschap. De zoon moet dus besneden worden. Dit gebeuren wekt de gehoorzaamheid van de zoon op. Dat moet wel, anders zou er geen bestaan mogelijk zijn. Er is alleen bestaan mogelijk in God. De religieuze mens is het onbestaan. God heeft dat overstegen, van het niet-zijn tot het zijn. God is in die zin het hogere toetsende zelf wat ons tegemoetkomt. Het staat haaks op het menselijke zelf. Barth stelt dat we het zicht op de negatieve zijde niet mogen verliezen, maar dat we de goede zijde moeten ontwikkelen (In zijn kerkelijke Dogmatiek IV.1)


De mens is dus zowel verworpen als uitverkoren. In ieder mens zit zowel goed als kwaad. De mens sterft maar komt ook tot leven in de dialectische theologie. Om dit uit te beelden wordt de mythe van het kruis gebruikt. Barth stelt dat de zoete vrucht wordt gevonden in een ongewoon harde en bittere schil. Barth stelt : Waar moet de theoloog beginnen met denken, en waar te stoppen ? De basis concepten zijn genade en recht, maar welke aspecten moeten op de voorgrond en welke op de achtergrond ? Hoe kun je voorkomen dat het hele zaakje niet omvalt als een hoop kegels ? Hoe kun je ervan overtuigd zijn dat alles wat gedacht wordt totaal op de goede manier wordt uitgesproken ? Weet de mens dan alles al ? Heeft de mens wel aan alles gedacht ? Weet de mens het wel te definieren en te formuleren ? En zo niet, wat is dan de waarde van de herhaling van alle kerkelijke en bijbelse theologie en al het getheoriseer wat het met zich meebrengt ? Deze vragen gooit Barth op. Het lijkt een beetje op de putten van de Danaïden die eeuwig water moesten scheppen in een bodemloos vat, wat een beeld is van het Onbestaan. Wat heeft het voor zin als je telkens fouten maakt en je langs alles heenleeft ?


Omdat het menselijke gebrek heeft aan kennis moet de mens concluderen dat God onnavolgbaar is en soeverein. Kunnen wij de Danaïden van eeuwige tijdverspilling onderscheiden die een beeld zijn van het onbestaan van de religieuze mens ? Kunnen wij daar van loskomen ?


In alle slechtheid en zonde van de mens kan de mens niet de ingeschapen goedheid van God in hem vernietigen en het feit dat hij diep van binnen ook de uitverkorenheid draagt. De slechte, zondige mens kan niet uit de greep van God ontsnappen. Hij kan niet uit de hand van God vallen. Alles wat bestaat is namelijk God’s werk, stelt Barth, en de mens kan niet ontsnappen, want de mens is eigendom van God, de Schepper, zelfs al wordt de zondige mens verwoest. Alles wordt door God gebruikt, al zou het zijn als brandstof, maar alles zal medewerken tot de vervulling van zijn doel. In die zin is iedereen uitverkoren. Iedereen is uitverkoren om in God’s werk gebruikt te worden voor God’s doel, en God is hierin een meesterschepper. We hebben te maken met de oneindige kennis van God. God heeft een oplossing voor het mysterie van de zonde. De kiem van God’s koninkrijk is dus in ieder mens. De buitenste, zondige schil van de mens is het onbestaan, maar God is in hem het bestaan en het zijn. God heeft het onbestaan overstegen, ook in de zondige en religieuze mens. Dat is de paradox in de dialectische theologie en eschatologie. Barth heeft het over het werk van de linkerhand en rechterhand van God. Hij spreekt hier over een vervanging. Er is een negatieve zijde en een positieve zijde. De zonde en zondaar zullen vernietigd worden aan de linkerzijde, maar aan de rechterzijde is er een vervanging. Er zal een nieuwe en rechtvaardige mens in zijn plaats gezet worden, als de leer van de zondaars-plaatsvervanging. Iedere zondaar heeft dus een plaatsvervanger. Die mens is in elke zondaar geschapen. Ieder mens krijgt een ja en een nee te horen. Barth omschrijft dit dualisme als waar en waarheen, als een dynamische reeks, een spanning tussen gisteren en vandaag, de spanning tussen alreeds en nog niet, maar God is geheel anders en is ver achter dit conflict. Zijn schepping verschilt van hemzelf. Het is dus altijd anders. Het is tussen God en mens, en het is iets persoonlijks. Hij heeft het over het gekruisigde zoonschap wat overal doorheen loopt, wat de plaatsvervanger is van de lijder, en de plaatsvervanger van de zondaar. Dat zijn twee plaatsvervangingen. Het is de kennis van het andere. Maar het heeft zijn grenzen. Het staat haaks op alle menselijke interpretaties hiervan. Het is het vreemde wat komt. Daarom is Barth als de Mohammed van de jaren 1900. Als hij komt als het normale, dan is hij het niet. Hij komt als het vreemde.


Alles heeft een goddelijke kiem. Alles heeft een ja en een nee, al dan niet in de crypsis, de cryptische gnosis, het raadsel. Door herkenning en uitwerking kan het tot leven komen. Dat is het geheimenis van de paradox, van de dialectische theologie. Zo blijft de mens niet vastzitten in drama, maar heeft uiteindelijk doorgang tot de Barthiaanse moeder, die geheel en al door openbaring werkt. Dat de mens de goddelijke kiem niet uitdraagt maakt dat er strijd is. God strijdt tegen de mens. Barth laat zien dat de mens geen oordeelsvermogen heeft, er een potje van maakt, en God is de geheel andere die daartegen strijdt. God laat niet met zich spotten. Daarom is er ook een groot ‘nee’ tegen de mensheid. De Barthiaanse theologie is alles behalve zoetsappig. Het is een chronische strijd tegen de mens. Jezus kwam ook niet om vrede te brengen. Er is geen harmonie tussen God en mens. Het zijn tegengestelden. De zoon moet worden tot een boom geplant aan waterstromen, psalm 1, waar de Vur ook over gaat. De mens moet loskomen van de chaos van het zijn van vlees en bloed. Alleen als de mens tot de boom geplant aan waterstromen wordt heeft de mens hierin de droom van het zijn van hemels vlees en bloed in het hemelse zoonschap. Dat is het zoonschap tot de Barthiaanse moeder, tot de Barthiaanse God. In de gelijkwording aan het kruis vindt de mens de volkomen en eeuwige dood van het vleselijke om zo tot het volkomen, eeuwige leven te gaan, als in een droom. Het is daar waar de mens de levensboom in zijn hart ontvangt.


Het boek der roependen spreekt van een zes-eenheid, waarvan de heilige boom er één is. (zie het boek van Enaz) De eeuwige boom is het beeld van de heilige gebondenheid. Het is een brandende boom, zoals we kunnen denken aan de brandende braamstruik waartoe Mozes naderde voor de exodus. De boodschap is gelijkvormig te worden aan die boom, want die boom is de uitverkoren boom des levens geplant aan waterstromen om tot het geheimenis van het hemelse vlees en bloed to komen, wat ook verbeeld wordt door het Pinocchio verhaal in de jaren 1800, en waaraan het Alice in Wonderland verhaal uit de jaren 1800 parallel loopt (1865). Alice in Wonderland was dus van de zestiger jaren van de jaren 1800, en Pinocchio was van de tachtiger jaren van 1800 (1883). Dit zijn belangrijke Barthiaanse en neo-barthiaanse sprookjes, waarvan de lijnen ook weer terugkomen in de Kate Bush muziek. Daar beweegt het mysterie van Alice in Wonderland, Alice die de putten ingaat.


Dit houdt in dat de dorre boom van vleselijkheid en zonde uitgerukt dient te worden en in de zee geworpen dient te worden (Enaz 1:26). Ook in de mythologie van de bibelebonse pap in de tweede bijbel komen deze dingen terug, want aan het einde verandert Joost Buis in een slingerplant.


Dus niet zomaar zoonschap, maar dieper : hemels boomschap. Vlees en bloed moet sterven aan de boom, aan het kruis, en de mens moet gelijkvormig worden aan het kruis, wat dus ook de boodschap is van de Vur en het boek der roependen in de tweede bijbel. Hierin ligt de droomkiem van het hemelse gezin, zoals Gunkel wees op psalm 128, die het vervolg is van psalm 1 en daar parallel aan loopt, als zijnde deze dingen. Dit is ook de boodschap van het Johannes evangelie, dat de mens een rank moet zijn van de ware wijnstok. Het gaat hierin niet om de rechtvaardiging van de mens, maar om God die zichzelf rechtvaardigt, stelt Barth.


De mens moet dus weer boom worden, en daarin kunnen de dromen van hemels vlees en bloed komen, als de vruchten van leven. Er is dus geen werkelijkheid en bestaan buiten het kruis, de boom, om. Zo wordt de oude mens afgelegd en de nieuwe mens aangedaan. De oude mens moet hiervoor de kooi in. Jezus werd gelijkvormig aan het kruis, aan het kruis, waar hij de boom geplant aan waterstromen werd, en wat al van toepassing was op de dichter in het Oude Testament, in de psalmen. Het zijn hele dichterlijke dingen, geen letterlijke dingen. Dit is het levende Woord komende van de boom des levens. En het Woord wordt dan vlees, zoals ook in het boek van Enaz.


De hemelse gratie, stelt Barth, breekt niet uit in de gewilligheid van de mens, maar in zijn onwilligheid, en juist door die uitbraak is de mens een wonder en een puzzel voor hemzelf. Dit is het oordeelsvermogen van God, wat niet het gebrekkige oordeelsvermogen van mensen is. De mens kan het zelf niet, en heeft het tegengestelde, het goddelijke, nodig, om zijn ongoddelijkheid, zijn menselijkheid, tegemoet te komen. Dit is zoals in het sprookje van Assepoester waarin de pompoen met de zeven muizen worden tot een koets met paarden. Er moet mee gewerkt worden. De Barthiaanse theologie heeft deze Assepoester achtergrond. De mens moet leren hierin zowel het nee als het ja te aanvaarden. Elk mens zal een ja en een nee in zich horen. Dat is de theologie van Barth. Dat is de Bazelse reformatie. Dat was een 1900se reformatie. Willen we het geheimenis van Calvijn draaien, dan moeten we tot deze Barthiaanse reformatie komen.


Ook het geloof krijgt een hele andere definitie in Barth’s theologie. Het geloof is datgene wat gedaan moet worden en wat door niemand op een natuurlijke manier gedaan kan worden. Geloof is dus het absolute nederige in de theologie van Barth. Het geloof is het aanvaarden van het ja, het nee, en het raadsel. Het geloof is het aanvaarden van de paradox en de diepte ervan.


De mens is geen persoon. Alleen God is een persoon. God heeft alleen zichzelf uitverkoren. De mens, die niet bestaat, slaat zijn hoofd stuk tegen dit raadsel. Het is de theologische kerncentrale van Karl Barth. Het is dialectisch. Het gaat hier niet om dat iemand op een kruispunt een weg moet kiezen, maar onder ogen moet komen dat hij uit een laag deel en hoog deel bestaat, en dat hij moet ontwaken tot het hogere deel. Alles is al gebeurd. Dat is de ontwaking van het geloof. Het is niet de rechtvaardiging op zich, maar komt het alleen onder ogen. Het is het lege kanaal, niet de afwezigheid van kennis zoals in het valse religieuze geloof. Barth stelt dat geloof in vele vormen komt, en dat het in het centrum kennis en begrip is. Maar er is ook een omtrek. Geloof is totale nederigheid, stelt Barth. Er is dus geen hoogmoed in geloof, en alhoewel er wel hoogmoed kan zijn leeft het geloof daar langsheen. De tubes van geloof hebben dus omleidingen. Het is een pad er doorheen.


Geloof, als leegte dus, zoals in het Engels Faith dichtbij Void ligt, leegte. Leegmaking is dus noodzakelijk, ook voor het toetsen. Het leegmaken van het zelf. De mens moet zo loskomen van zijn eigen werken. Dan alleen is geloof het kennen en begrijpen. Geloof kan al snel corrupt worden als het een verkeerde richting krijgt, dus de mens moet hier erg oppassen. Geloof is het pad van Bethlehem tot Getsemaneh, door de Jordaan, het pad van boetvaardigheid waar je nergens je hoofd neer kunt leggen, en Geloof komt uiteindelijk aan op Golgotha, hangende aan het kruis, stelt Barth. Geloof is arm en hongerig, en Barth zag het verhaal van Jezus als een beeld daarvan. Dit is ook hoe de boom geplant aan waterstromen groeit tussen hemel en aarde.

Karl Barth : God is het tegenovergestelde van de mens, de radicaal andere   - 1 januari 1970

 

Karl Barth : God is het tegenovergestelde van de mens, de radicaal andere

 


Karl Barth was de Socrates van de theologie : De christelijke mens wist niks, en zou dat moeten aanvaarden als het begin van de kennis. De christelijke mens moest van zijn hoge troontje af, zijn valse afgoden, en valse eigengemaakte vergunningen inleveren. Dit was een Barthiaans identificatie systeem wat tot de aarde kwam. De mens moest zijn oude identiteit inleveren. De mens moest tot Bazel gaan, in Zwitserland, de geboorte en sterfte plaats van Barth, om van dit kindeke te leren, te komen tot de Barthiaanse verlichting in plaats van naar Hollywood te gaan, want in grote zwermen ging de moderne mens tot Hollywood en nog steeds.

 


Velen zijn blijven steken tussen de reformatie van de jaren 1500 en de reformatie van de jaren 1900, tussen Calvijn en Barth. Velen kennen Calvijn en Barth niet, en velen weten niet eens wie het zijn. Deze wereld heeft geen flauw benul van godsdienstwetenschappen, en heeft er ook geen interesse in, maar het raadsel dringt en moet opgelost worden. Dat is de noodzaak der tijden, en niemand kan eraan ontkomen. De geschiedenis herhaalt zich. De Spaanse griep is er weer en Barth zal komen, om te laten zien dat Babylon gevallen is. Wat is de weg van Dordrecht tot Bazel ? Wat is de weg van Geneve tot Bazel ? Die zijn we aan het bespreken.

 


Ik stond eens onder de douche en had toen een visioen dat ik in Bazel was aangekomen, en ik zag allemaal blijde mensen, die blij waren dat ik was gekomen, en Sweet Love van de Commodores speelde op de achtergrond. De mensen hadden een hemelse energie om hun hoofd, en die kwam ook over mijn hoofd. Hier was een messiaans kind geboren. Toen ik begin tachtiger jaren met wat familie in Zwitserland was, als kind, werd de cassette van de Young Messiah helemaal grijs gedraaid. Een profetisch teken ? Het was toen al als een kind een ontwaking, zowel Zwitserland als de muziek van de Young Messiah ‘every valley shall be exalted’.

 


In de theologie van Barth is de ge-nade de wil van God, het ‘uw wil geschiede’, wat dus ook afrekent met allerlei zoetsappige beelden van genade. ‘Zowel in de hemel als op de aarde,’ dat is wat ge-nade is, waar dus ook nog de naam Nod in voorkomt, de hemelmoeder waarin Ra zijn tocht door de onderwereld maakte, Ge-Nod-e, en Ge is de aarde in het Grieks. Barth stelt in zijn brief aan de Romeinen dat deze ge-nade de relatie is tussen God en de mens, die beweegt van de waarheid tot het moeten willen wat God wil, anders hebben ze het niet. De ge-nade is dus een eis. Daarbuiten is het leven niet, is er geen persoonlijkheid (Romeinen 6). Paulus gaf al aan dat de mens absoluut niet mag zondigen (vers 1-2), dus de mens moet wel volgens God’s wil leven, want zij zijn immers aan de zonde gestorven. Moet is trouwens ook de Egyptische godin van het toetsen, en Moet verslindt ook ieder toetsloos mens en ieder mens dat de toets niet kan doorstaan.

 


In Barth’s theologie betekent genade ‘gehoorzaamheid’. Compromissen worden niet geaccepteerd. Genade laat niet met zich spotten. Genade is volgens Barth een verterend vuur, en zo gaat genade ook het conflict in. Je kunt daar geen spelletjes mee spelen of het als een hond behandelen. Iedere Barthiaan leeft onder die druk. Die genade bevrijd de mens van religie.

 


Het vlees heeft het Barthiaanse geloofsgoed, de gnosis diamant of edelsteen van Barth, geheel lopen nabootsen, wat ook het kaf er van is, het ongewortelde en onvruchtbare. Dit zien we om ons heen als pseudo-Barthiaanse flutromannen waarin ook geweld een plaats heeft, de zogenaamde vrouw die op foute mannen valt, of de vrouw die haar gewelddadige echtgenoot vergeeft, terwijl hij het telkens weer flikt, telkens weer dronken wordt, telkens weer haar mishandelt en zijn leven gewoon niet betert, want hij is immers zijn eigen vleselijke afgod. Het is de romantiek tussen de simpele huisvrouw en de narcistische thug, de gangster man. God in zijn broekzak hebben ? Hij is zijn eigen God, en heeft de barthiaanse ideeen lopen verdraaien op een vleselijke manier. Hij misbruikt Barth. Zo ontstaan ook allerlei pseudo-barthiaanse gezinnen, gebouwd op geweld in plaats van hemelse tucht en discipline. Wat we om ons heen zien is een slap aftreksel van de Barthiaanse gnosis.

 


Barthianen, of hen die door een zekere Barthiaanse verlichting zijn gegaan, deel hebben gehad aan de reformatie van de jaren 1900, een 1929 in hun eigen leven hebben gehad of ervaren, en door de dertiger jaren van de grote depressie zijn heengegaan, zijn op weg en op zoek naar Bazel, terwijl pseudo-Barthianen, die gewoon met de dode massa meeglijden, en die op zoek zijn naar sensatie, zijn op weg naar Hollywood, hebben zichzelf gewoon een rol aangemeten. Iedereen moet tot het dieptepunt van 1929 gaan om tot Bazel te gaan. Daar wacht het messiaanse kindeke Barth, de 1900se reformator of 1900se Mohammed van de crisis theologie. Hij predikt niet alleen het ‘gij geheel anders,’ maar ook het ‘God geheel anders’. Barth stelt dat er geen menselijke weg tot God is. Dat kan alleen door het hemelse zoonschap. Dat is het ‘geheel andere.’ Dan moet je geheel afscheid nemen van het normale, het bekende en openbare, het voor de hand liggende, en gaan tot het onbekende, het ongewone, het vreemde en verborgene, hetgeen ver weg is. Dan moet je een grote reis maken, een eindeloze reis, want de kloof tussen God en mens is eindeloos. Dan moet je stoppen met al je kleinzieligheid en bekrompenheid, al je nietige, onbenullige kortzichtigheid, alles inleveren. Get your ticket right. Stoppen een eigengereide wijsneus of snotaap te zijn, en tot Socrates gaan. Weten dat je niets weet. Barth’s theologie was zwaar Socratisch.

 


In het kruis, stelt Barth, zien we het onbestaan van de mens, en vooral het onbestaan van de religieuze mens. (Romeinen 7) Alleen in de kruisdood zien we wat de dood daadwerkelijk is, stelt hij. Met name moeten we afsterven aan de religie, want de religie dient de god van deze wereld. Karl Barth betekende dus bevrijdingstheologie, bevrijding van het christendom, van religie, maar in de zin van het komen tot nieuwe betekenissen. Hij voerde dus ook psycho-analyse uit. De mens moest geevacueerd worden uit dat wat religie in de wereld bereikt had. Dat hij zelf nog religieuze termen gebruikte deed daar niet aan af. Het was toch iets anders in zijn theologie. Het had er niets meer mee te maken. Alle dingen zouden nieuw worden. Hij was een vernieuwingspredikant. Hij geeft een hele andere betekenis aan het evangelie. Hij maakt dingen duidelijker. Zo kunnen de mensen er niet meer mee weglopen. Hij deed er iets mee. Hij gebruikte het als creatief materiaal, en bouwde zo bruggen tussen de verschillende opvattingen. Iedereen kon mee in deze evacuatie.

 


Barth laat een heel ander mechanisme zien in de diepte. Maar waarom is dit niet doorgebroken ? Waarom doet men hier obscuur over ? God is en blijft de Onbekende. Hij is zelfs Ongekend in zijn Gekendheid. Dat is de paradox. Je ziet het wel en je ziet het niet. Alles is half. Dit is een halve wereld. God is het andere. Het glijdt van je weg. Het gaat zijn eigen pad. Als je denkt : ‘Waar blijft het toch ?’ Het gaat zijn eigen weg. Het moet in jezelf doorbreken en opklaren. Het is een eindeloze weg. Als je denkt dat je het hebt, heb je het niet. Als je denkt dat je het bent, ben je het niet. Dat is de ongrijpbaarheid van Barth, zoals de ongrijpbaarheid van Krishna. Je weet niet of je het bij de kop of de staart hebt, of misschien heeft het jou wel bij de kop of de staart.

 


We zien veel wijsheid onder mensen, en veel gepubliceerde wijsheid, veel wijsheid voor de verkoop, wijsheid als iets romantisch, als iets ontroerends, als iets wat een gevoelige snaar raakt, maar wat we weinig zien is de timing en de getoetstheid, de logistiek.

 


Barth reikte wat missing links van de bijbel aan. Hier ging de openbaring verder, aansluitend op de bijbel. Het was authentiek. We spreken dan over de systematische theologie. Hij bracht een nieuw systeem, en het werkte. Iedereen moest mee. Het was als een hemelse lift, een nieuwe opname, en niemand kon achterblijven, niemand kon er omheen. De eerste wereldoorlog was gekomen, en die zogenaamde beschaafde christelijke landen bevochten elkaar. Het was dus allemaal niet zo idyllisch, dat christelijke geloof. Het romantische christelijke wereldrijk was aan het instorten. Karl Barth kwam toen op Nietzschische basis van optimisme tot pessimisme, in socialistische context, om tot een ander beeld te komen over de bijbel en het evangelie. Het was in de context van het semi-nihilisme van Nietzsche : de christelijke mens had volledig afgedaan, de christelijke mens die alles op orde dacht te hebben. Het bleek een leugen te zijn. Voor Barth bestond die romantiek niet meer. De positieve theologie had voor hem afgedaan. Hij zag God’s werkelijkheid haaks staan op die van de mens, die dacht dat zijn zaak God’s zaak was. Dat is wat de dialectische theologie is, dat God niet in harmonie is met het menselijke, maar in tegenspraak ermee. God is het geheel andere. De mens is nog niet tot het ware zijn gekomen, het ware bestaan, en dat kan de mens ook niet. God is dan een definitie van het hemelse, ware zijn, die het niet-zijn, het onbestaan, heeft overstegen, zoals in de existentialistische theologie.

 


Een heleboel mensen in de gnosis vinden het toetsen moeilijk. Het menselijke kan ook niet toetsen. Het vlees heeft zijn eigen toetsmiddelen, en verknalt het volkomen. Daarom moet de mens het Heilige Toetsen ontvangen. De mens kan het niet zelf in zijn vlees. Het Heilige Toetsen is het volkomen toetsen, in de neo-barthiaanse theologie van de tweede bijbel, die in de zeventiger jaren, na het heengaan van Barth, begon op te komen. Maar Barth had al wel de basis gelegd, want God was de ongekende, en de onbekende, en kon niet gekend worden, en zo was al het menselijk toetsen ook ongeldig verklaard. De mens moest het hogere toetsen ontvangen, net zoals de mens vroeger het heilige geestelijke diende te ontvangen. Er kwam dus nog wat na. De mens kan vanuit zichzelf niet toetsen, heeft een hogere vorm nodig, het hogere toetsende zelf. De mens moet met het Heilige Toetsen omgaan als met een persoon, zoals men vroeger met het Heilige Geestelijke deed, als persoon. De mens moest het Heilige Toetsen leren kennen, er omgang mee hebben. De mens moest de Uitverkorene ontvangen, de Uitverkiezing als persoon, die Zichzelf had uitverkoren, wat dus gewoon het hogere, toetsende zelf is in de neo-barthiaanse dogmatiek van de tweede bijbel. Daar mag je om bidden, daar mag je op wachten, maar laten we beseffen dat dit de filterologische kennis is, de filterologische theologie en dogmatiek. Hiervoor moest de mens naar de neo-barthiaanse school, in die context. We noemen dit ook wel de toetsologie, die de basis dient te zijn van theologie.

 


Karl Barth rekende af met het verschijnsel ‘God in je broekzak hebben’. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Het was dus oorlog in de theologie. God is radicaal anders, stelde Barth. God is zichzelf, en je kan hem alleen maar kennen als hij zich laat kennen, op eigen initiatief, dus de mens kan dat niet forceren of aanmatigen. De mens komt daar niet zomaar doorheen. Maar het vlees had God in een doosje gestopt en wilde niet loslaten. God was een stuk vee, en de kerk was de veehouderij. Daarom bracht Karl Barth een theologische revolutie, een theologische kernbom, een nieuwe kerkelijke dogmatiek, en dat begon al met zijn Romeinen brief, wat al begon rond de eerste wereldoorlog. Barth leerde de mens beseffen : God is het tegenovergestelde van de mens. Dat is de basis van de dialectische theologie, de dogmatiek van Barth.

 


Oh, dat stijfkoppige vlees. De mens wilde verder dromen, verder wanen in zelfverheerlijking, in godsdienstwaanzin. De mens ging hierin sociale grenzen over, en daarom kwam de Spaanse griep, de 1900se corona, en toen 1929, de instorting van het menselijke systeem. De kapitalisten vielen van hun hoge troontjes. Het rijke westen was ineens het arme westen geworden, onderdeel van de derde wereld, in deze grote Barthiaanse machine, deze theologische maalmolen. Er was een brug gekomen tussen het christendom en het socialisme, en het christendom had voor Barth afgedaan. Er moest iets anders komen. Religie was ongeloof. Openbaring was de sleutel, en alleen als God dat wilde. En die openbaring brak de werkelijkheid van de mens stuk, dat was het kenmerk ervan, dat het alle zekerheden onder de mens wegtrapte. Het was de boodschap dat de mens totaal theologisch bankrupt was, de boodschap van 1929. Failliet verklaard.

 


De mens kan ook niet zomaar kind zijn. Denk aan psalm 1. Het kind is onstuimig, grillig, ongetemd, maar de mens moest worden tot een boom geplant aan waterstromen. De mens als boom, komende vanuit de boom, zoals in het Pinocchio verhaal uit 1883, en Pinocchio betekent ook stukje pijnboom in het Italiaans. Het is dus geent op het kruis. De mens moest geent worden op de ware wijnstok. Bent u al deel van de hemelse wijnstok ? Of bent u nog een verwend kind wat begint te gillen en te roepen als het zijn zin niet krijgt ?

 


Karl Barth wilde een andere betekenis geven aan het christendom, want hij zag hier wel een hemelse kiem in. Het werd alleen verkeerd voorgesteld. Hij ging verder met de kiem van het christendom. Hij ging verder met de kiem van Jezus Christus, zoals het eeuwig evangelie dat ook deed. Maar Jezus Christus had een hele andere betekenis in de theologie van Barth. Het werd in een heel ander licht gesteld, en dat moest ook wel. Barth was een Jezus-freak op een hele andere manier. Ook het plaatsvervangend lijden had een belangrijke kiem. Ook de tweede bijbel ging verder met die kiem. Dat is de paradox, het dialectische denken. Alles heeft er plaats in, slechts met een andere betekenis. Religie had namelijk ook een positieve waarheid, stelde Barth, namelijk dat in religie het geestelijke in ons binnenkomt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Maar dat kon alleen door openbaring, want alles wat niet openbaring is is afgoderij.

het barthiaanse paradijs : 1929 – het jaar waarin het rijke westen tot de derde wereld werd - 1 januari 1970

 

het barthiaanse paradijs : 1929 – het jaar waarin het rijke westen tot de derde wereld werd


Barth stelt dat als we aan de liefde van God denken we ook de vrijheid van God niet moeten vergeten, dus God niet in een kooitje gaan stoppen, maar er heel voorzichtig over spreken, en God ook geen limieten gaan opleggen in zijn liefde, want daar zijn mensen nogal goed in. Dat theologisch recht heeft de mens niet, maar het is de theologische plicht van de mens dat hij het steeds grotere plaatje gaat zien en begrijpen, stelt Barth. De vrijheid van God is niet minder hemels of minder belangrijk dan God’s liefde. God’s liefde is alleen hemels zo lang het in zijn vrijheid wordt beoefend. Buiten die vrijheid is het geen liefde meer. God’s liefde is ook niet minder hemels of minder belangrijk dan God’s vrijheid, en die vrijheid is alleen hemels zolang het wordt beoefend in God’s liefde. Het staat dus niet op zichzelf, zoals in het opportunistische liberalisme. De perfecties van deze liefde zijn genade en geduld, maar ook heiligheid en rechtvaardigheid in de theologie van Barth. Genade moet altijd onderworpen zijn, gecontroleerd worden en gezuiverd door heiligheid. Hierin spreken we van een volwassen en hemelse liefde. Ook deze heiligheid moet hemels zijn, getoetst zijn. Hieraan herkennen we de ware liefde.


We komen dan bij het punt van de boddhisatva in het boeddhisme. De boddhisatva speelt niet zomaar voor boeddha, maar daalt af om zichzelf te verbeteren en om anderen te helpen. Hij gaat niet voortijds het nirvana in, maar oefent geduld en ascese, door telkens weer de dodenboeken in te gaan en daar reizen te maken tot de dieptes. Dat zijn dus de dodenboekers. Ze gaan niet op hele hoge troontjes zitten om boeddhaatje te spelen over anderen, om zo dik en vet op hun droesem te worden, tot een afgod in de stad. De liefde zoekt altijd het laagste punt. Ze zijn voorzichtig in hun theologie, en in die zin ook Barthiaans. Barth stelt dat dat ook de betekenis van genade is : het draait om, en daalt af. Deze genade kan niet zomaar geclaimed worden, maar moet je zelf gaan worden en beoefenen. Daarin ligt het geheim, wat dus het geheim is van de boddhisatva’s, de dodenboekers, die de bardo’s ingaan, de tunnels van de onderwereld. Ze laten zich niet misleiden tot snelle geboortes en snelle opvoedingen. Ze zijn niet op zoek naar de aardse tronen om zich daarop te verheffen. Ze blijven liever anoniem. Ze laten hun linkerhand niet weten wat hun rechterhand doet. Goede wijn behoeft geen krans. Ze hebben geen behoefte aan allerlei aards loon, maar in hun wandel hebben ze hemels loon, in de vrucht ervan.


Vrijheid in de theologie van Barth betekent dat God trouw blijft aan zichzelf, aan genade, aan liefde, en aan heiligheid. Alles wat daarbuiten valt is niet vrij meer en is vals, en is geen ware persoon. Zo vallen er dus een heleboel domino stenen om, vallen er een heleboel dingen weg. We moeten het dus niet zomaar over genade hebben, want dat kan al snel corrupt worden, maar we moeten het hebben over de heiligheid van genade, over de heilige genade. En dat is dus het omkeren en afdalen, de dodenboeken doorgaan. Dat is dus het attribuut van de boddhisatva’s, van de dodenboekers. Zo kom je tot grote Afrikaanse bronnen. Zo kun je aansluiten op het paleolithische oer-orion. Dit zijn weldadige bronnen van leven, bestaan en eeuwigheid. Alleen in de dialectiek kunnen deze sloten opengaan. Zomaar zwart-witters, hen die aan de zijlijnen staan, komen er niet doorheen. Ben je een Barthiaan geworden, dan is het belangrijk om een neo-barthiaan te worden en te leren toetsen, ook het werk van Barth, en het leren verdiepen, net zoals dat met het werk van Calvijn is gegaan. We spreken dan van het balvinisme, het theologische mengsel van Barth en Calvijn.


In de oude Israelitische talen is genade, chesed, ook heiligheid, correctie, dus er was nooit een onheilige, compromisvolle genade om mee te beginnen. Die is ergens de lauwe westerse kerk ingeslopen. Barth stelt dat juist hen die onder God’s genade zijn door hem worden aangevallen, zodat hun weerstand wordt gebroken. Zij merken God’s weerstand op. Deze genade is een ervaring van worsteling met God. We komen hier dus ook terecht op het hogere toets-idee. Barth stelt dat alleen in die oppositie kan God’s liefde herkend worden, en die oppositie is het geheimenis van de schepping en van de ware gemeenschap met God. Dit is ook het geheimenis van de tegenwoordigheid van God, stelt Barth, want zonder die spanning is God helemaal niet aanwezig.


Barth stelt dat de genade een oordelend karakter heeft, en dat dit oordeel genadig is, dus niet boven de maat.


De uitverkiezing van de mens is in de uitverkiezing van het hemelse zoonschap, stelt Barth. We kunnen dus groeien in die uitverkiezing door te groeien in het zoonschap. Dat is een hele uitdaging, de hemelse moeder te leren kennen door het toetsen. In het Egyptische dodenboek komen we los van een heleboel vleselijke moeders, als in de Egyptische bardo’s, de tunnels van de onderwereld, tussen dood en leven. Hier wordt ons vlees geaborteerd. Barth noemt het hemels zoonschap in de context van het eeuwige begin, en we kunnen dan ook denken aan het hiervoormaals, de oer-eeuwigheid. Vanuit deze oerleegte en oereeuwigheid komt de schepping voort, als het begin daarvan.


Barth stelt dat in de kennis van de uitverkiezing van het hemelse zoonschap Israel geopenbaard is. We kunnen denken aan het hele spoor terug door de Egyptische dodenboeken tot de Afrika brug en de Orion brug. De uitverkiezing heeft de orionse bron op het oog, en het pad daartoe.


Als we het hebben over ‘Jezus Christus is Heer,’ dan hebben we het over de Jezus principes, de Jezus voorbeelden. Dan hebben we het over wat de tweede bijbel ‘de Jezusin’ noemt. Dan hebben we het over de gnosis, over de verlichting. Het hemelse licht is een beeld. Als we het over genade hebben, dan hebben we het over het kruis, het afdalen, juist die aanval op ons leven. Genade heeft niks te maken met onverdiend, maar met een houding. Ge-nade is voor hen die naderen. Het is het mysterie wat gebeurt als je naderbij komt. Het is je eigen reflectie, van je eigen levenshouding. Barth stelde dan ook dat de genade heilig was, en in zijn ‘brief aan de romeinen’ (1922) stelt hij dat genade gehoorzaamheid vereist. Het inspireert tot actie, en het verlicht.


Genade reageert op het hart, als een antwoord in de communicatie. Barth stelde dat Paulus niets had, dus ook niets kon geven, en dat was het terrein van de genade, en genade werkte door hem heen naar anderen. Die genade was dus bovenaards, geen menselijke genade. Hoe meer hij gaf, hoe meer hij ontving. We kunnen stellen dat ge-nade werkt waar armoe is, waar leegte is. Barth stelt dat Paulus niet werd geleid door wensdenken, maar dat hij gebonden was in discipline. Paulus was in de heilige gebondenheid. Daar werd hij door gedreven. Dat is iets wat na het ontvangen van het heilige geestelijke komt. Als wij gedoopt zijn in het heilige geestelijke, dan moeten wij ook nog gedoopt worden in het heilige toetsen, wat leidt tot de hemelse gebondenheid. Wij worden gebonden in een heilige kruisdood aan onszelf. Dit gebeurt ergens diep in het Egyptische dodenboek, waarin we alles achter ons laten, en alles toetsen in de grote hal van het toetsen, wat een belangrijk Egyptisch thema is. Zo worden wij voorbereid om Osiris, oftewel Sar, zowel een egyptisch als hebreeuws woord voor God(in), te ontmoeten (vgl. Suri). Ook komen wij in die hal Thoth tegen die alles opschrijft, Duaty in het Egyptisch, oftewel de onderwereld, de kruisdood, en tevens het hemelse woord. Wij worden getest aan de hemelse veer, opdat wij zo het aardse kunnen ontstijgen.


Barth stelt dat het evangelie niet zomaar een waarheid is, maar een vraagteken. De mens moet niet zomaar deelnemen aan een bepaalde strijd. Dat vraagt het evangelie niet. De mens moet tegen het geheel strijden, tegen het bestaan op zichzelf. We zien hier al de toetsbeginselen. Het evangelie laat de mens zich eerst terugtrekken, en eerst moet de mens maar eens gaan twijfelen aan het geheel, en alles in hemzelf. Het evangelie is het vraagteken, de oproep om te toetsen dus. Door het evangelie lost de wereld eerst op en wordt dan gebouwd, stelt Barth, en we kunnen stellen dat dit door het toetsen gebeurt, het durven twijfelen, het onderzoeken en testen, het durven piekeren, hoe lang dat ook duurt. We zien dus al heel duidelijk dat het toetsen zijn basis heeft in geduld. Ongeduldigen kunnen niet leren toetsen. Het is een vereiste. Als het evangelie het toetsen betekent, daar een beeld van is, dan kunnen we daar niet omheen. Het evangelie is de prediking van de blijde boodschap : het toetsen, want dit is de weg tot (het begrijpen van) God.


Het ware evangelie is dus de toetsologie, en alle andere scheepjes zullen stranden. Barth stelt dat het evangelie, het vraagteken, zich openbaart in de leegte, in de explosie van een schelp. Zij die deze leegte niet zoeken kunnen dus ook niet toetsen.


Barth stelt dat de gevangene tot een wachter wordt. Dat is een moeizaam pad tot een onbekende God. Kierkegaard had immers gezegd dat alles wat direct gekend was een afgod was. Daarom moest het wel onbekend zijn. Juist het onbekende was de kracht tot behoudenis, stelde Barth.


Het aanvaarden van de contradictie is volwassenheid, stelt Barth, zoals de tweede bijbel ook stelt. Dit is de wereld van tegenstellingen, het gebied van de paradox. Daar moet je mee leren leven. Het gaat tegen elkaar in, en zo is het nu eenmaal.


Paradoxen, bedelingen, gecompliceerdheden, de mens moest het leren aanvaarden in de theologie van Barth. De mens werd weer geheel naakt in het paradijs van Barth, ging weer terug naar de theologische armoe, de leegte, om daar ge-nade te ontvangen, een God die hem met vuisten sloeg, want die ge-nade was heilig en rechtvaardig, en streed tegen de zonde. Het was geen zoetsappige genade van een harmonieuze gezinssituatie. Van dat idee moest de mens af. Het was een worsteling tot gerechtigheid, en toch was Barth een hopeloze theologische romanticus, toch een beetje dat vechtschool idee. God was dan wel de grote Onbekende, maar Barth meende licht te hebben gezien. En wat was dat licht ? Hoe kwam hij hieraan ? Had hij dit eerlijk verdiend, of had hij dit gestolen, of was het deels ? Hij kwam hoog op het paard, maar ook laag. Liefde zoekt het laagste punt, en Liefde komt van het laagste punt. Maar in hoeverre voldeed Barth hieraan ? Was hij één van de piraten die een schat had gevonden of gestolen, een piraat die iets had gezien ? Feit was dat de zon van de onderwereld, de zon van het Orionse Afrika, aan het opkomen was, of juist dieper was gegaan tot een nog diepere onderwereld : de aarde. De zon van de onderwereld was tot het laagste punt gekomen. De theologie van Barth kwam hard aan als een bom in de theologische wereld, en er werd gesproken van een totale ommekeer in de kerkgeschiedenis, een beslissend moment. De mens werd teruggefloten.


Na lange tijd zee zag men eiland. Hier konden ze iets mee, alhoewel ze nog niet wisten wat het was. Men begon horizon te zien, alhoewel het nog steeds onbereikbaar was, en dat was de grote paradox ervan, want het was ook nabij. Wat gebeurde hier precies ? Het begon allemaal met de Romeinen brief van Barth, in de twintiger jaren van 1900, net na de eerste wereldoorlog. De spaanse griep was gekomen, de corona van die dagen, en die had miljoenen geveld, en nu was er iets aan de horizon gekomen : de grote zon van de onderwereld. Het draaide niet meer om de mens, of die nu wel of niet uitverkoren was, want daar werd veel handel om gedreven, maar het draaide nu om de uitverkiezing van God zelf, of God wel of niet uitverkozen was. Het ging nu om het uitverkiezingssysteem zelf, of dit uitverkoren was ja of nee, en Barth stelde dat het beiden bleek te zijn. De zoon was zowel verworpen als aangenomen, in de hemelse paradox. De uitverkiezing was dus zowel verworpen als aangenomen. Dit helderde veel op bij de mensen, die gebukt gingen onder de veel zwaardere en eenzijdigere uitverkiezingsleer van de donkere eeuwen. Barth bracht een hele andere zwaarheid, een hele andere duisternis, en gaf er een hele andere betekenis aan. Er was een stuk nieuw Woord bijgekomen. Er was iemand verschenen ter paard, met de zon van de onderwereld om zijn hoofd, of zijn hoofd was de zon van de onderwereld. Kun je je het voorstellen ? De mens was in een diep gat gekomen met de eerste wereldoorlog en met de spaanse griep, de corona van de jaren 1900, en de mens greep dit touw aan. De mens had weer wat om over na te denken. Barth bracht nieuw mysterie.


De aarde was met de eerste wereldoorlog en de spaanse griep diep het egyptische dodenboek ingegaan, en dit was apocalyptisch, en kwam zo na een lange reis door de grotten van het egyptische dodenboek tot een mysterieuze kust in de onderwereld, waar de zon van de onderwereld in de zee afdaalde. De mens was verwonderd over dit verschijnsel, maar hoe nu verder ? Wat zou er gebeuren ? Hoe zou de zon van de onderwereld reageren nu een mens hem had ontmoet ? Het was nog steeds ver weg, maar er gebeurden dingen aan de horizon die de mens niet kon verklaren. Barth deed een poging. Barth meende iets ontvangen te hebben. Met zijn openbaring claimde hij dat het toendertijdse christendom met al zijn kastjes en laadjes failliet was geworden, bankrupt. De mens was theologische grenzen overgegaan, en zo ook de kerk. Ook in de wereld dreunde dat door. Het leed onherroepelijk tot 1929, de instorting van het westerse economische systeem. 1929 was het jaar waarin het westen tot de derde wereld werd. Dat was een verschijnsel van de zon van de onderwereld die onderging over alle mensen. Er was geen verschil meer tussen arm en rijk, tussen eerste wereld, tweede wereld en derde wereld. Iedereen was gelijk. Iedereen begon naakt in het paradijs van Barth, wat een woeste, complexe, paradoxale wildernis was in de onderwereld.


Er was een nieuwe Mohammed gekomen op het theologische front. Hij bracht een heel ander Godsbegrip, een heel andere God, want God was immers ‘de geheel andere’, en religie werd bestempeld als ongeloof, en mocht alleen maar op God wijzen, want God was niet religieus, niet de God van de religie, en dat was ook het paradoxale ervan, en dat moest de mens aanvaarden. Barth kwam om de zuurstok en de suikerspin van het verwende religieuze kind af te nemen. Hij werd als spelbreker gezien, en er werd flink tegen hem aangetrapt, maar ook kon de mens er niet omheen. Het snoepgoed was immers weg. De magazijnen waren leeg. Barth drukte de mens theologisch tot 1929 en de dertiger jaren, en hij streed tegen het opkomende nazi rijk. Het moest de kop ingedrukt worden. De mens moest voorzichtiger omgaan met zijn bestaan, worstelen met zijn bestaan. Allerlei heethoofdige en koudhartige oorlogen moesten vermeden worden, want de mens moest eerst met zichzelf beginnen, en niet als een blinde vuistvechter tekeer gaan in projectie. De mens was het probleem, en zijn corrupte uitverkiezing. De mens moest nu leren toetsen, en dat begon bij zichzelf, en bij zijn eigen vaak halfgebakken toetsmethodes. Geduld was hier voor nodig.


Karl Barth’s theologie wordt ook wel de theologie van crisis genoemd. Crisis is datgene wat het ravijn tussen tijd en eeuwigheid overbrugt, oftewel het kruis. Het is ook de brug tussen god en mens, tussen god en wereld, en tussen god en kerk. De wereld kwam oog in oog met deze crisis-brug. De wereld moest dieper de onderwereld in, dieper in het Egyptische dodenboek, tot de missing links van Afrika. Op die brug werd de mens met vuisten geslagen, tot zoonschap. Op die brug kreeg de mens een doorn in zijn vlees, opdat de mens een boddhisatva zou zijn, een vervolgde volger, een gekruisigde, opdat de zon van de onderwereld in hem zou kunnen ontwaken. Zijn innerlijke toren van Babel moest neerstorten, en de spraakverwarring moest komen in het rijk van het vlees. Afrikaloos is de mens, en daarom is de mens eigenlijk geen persoon. Maar in Afrika zou de geboorte kunnen plaatsvinden, zou de daadwerkelijke schepping van de mens kunnen komen. Die schepping was het hemelse zoonschap, het leren toetsen in eeuwigheid en diepte. Er is alleen maar leven op de brug, zoals de Vur stelt. Als de mens zomaar denkt : ‘ik ben er,’ dan is de mens er niet. Als de mens zomaar denkt : ‘ik ben het,’ dan is de mens bedrogen, en is het niet. Dat is de paradox. Wie meent te staan is de gevallene. In Karl Barth’s theologie kon het allemaal niet. De mens moest opnieuw beginnen. Het individuele Babylon, het innerlijke Babylon, moest vallen.

de barthiaanse en neo-barthiaanse uitverkiezingen – freud in egypte - 1 januari 1970

 

de barthiaanse en neo-barthiaanse uitverkiezingen – freud in egypte


Barth trapte nogal hard aan tegen de natuurlijke theologie, en zag dat als de grote vijand. Hij stelde de hemelse gezinssituatie centraal en als criterium, en niet zomaar de natuurlijke manier waarop de mens God zou leren kennen, zomaar door de omliggende natuur en de rede. Berkouwer wijst daar ook op in zijn dogmatische studien in de mid-1900se jaren. Voor Barth werkte zo ook de uitverkiezing : de hemel koos slechts zichzelf uit, het zoonschap, in de hemelse gezinssituatie, dus de mens moest zich niets aanmatigen, en er was hierin ook geen willekeur zo van : die wel en die niet, zomaar met de natte vinger in de lucht. Dat was nogal een lugubere uitverkiezing die we allemaal wel kennen, een beetje als een gokmachine, doodeng, als een blinde die ging ezeltje prikken. Dan moest je maar net geluk hebben. Barth wilde van al die ideeen af, want ze brachten meer kwaad dan goed, en bracht mens en kerk terug in de hemelse gezinssituatie. De mens was geen persoon, maar kon persoon worden door het mechanisme van dit gezin, niet zomaar door natuur of rede, of door een gokspel. Het hemelse zoonschap was de uitverkorene. De hemel had zichzelf uitverkoren, en in die uitverkiezing kon ook de mens geboren worden en tot ware schepping, tot ware persoon, worden. Er was dus geen God achter deze gezinssituatie. Calvijn was meer het Oude Testament, het abstracte testament, van de reformatie, en de theologie van Barth was uiteindelijk als het Nieuwe Testament van de reformatie, wat zo donker was begonnen, en zelfs katholieken begonnen dit nieuwe idee te volgen. Deze theologie had zelfs de interesse van de paus opgewekt, en die noemde Barth’s theologie de belangrijkste sinds die van Thomas van Aquino. Dit had de wereld nodig, want het zou de brug slaan tussen gereformeerd en katholiek. 


Barth gaf hele andere betekenissen aan de gereformeerde termen, en zelfs Berkouwer, de architect van de gereformeerde kerk in de mid-jaren 1900 werd er steeds meer in meegezogen, wat ook grote veranderingen uiteindelijk bracht in de gereformeerde kerk zelf.


Zomaar de natuur gaat het dus niet redden, want we leven in een gevallen natuur. De mens moet terug tot de hemelse gezinssituatie. Barth wees op het zoonschap, de zoon. Die was uitverkoren, en het ging niet meer zomaar om uitverkoren mensen door één of ander spooky apparaat. Het ging niet om een nee of een ja, maar de nee had altijd de ja als doel. Alles werd dus op het zoonschap geschoven, en wat er buiten viel moest dus weer wijzen op het zoonschap, en had het zoonschap tot doel. Dat was de grote reformatie voor Karl Barth. Er moest een einde komen aan de donkere Middeleeuwen die psychologische spelletjes speelden met de mens. De bijbel werd door Barth bestempeld als een boek van mythes en legendes, waar ook fouten in konden zitten en menselijkheden. De theologie van Calvijn werd bestempeld als abstract. Het was nu tijd voor een nieuwe orde. Het was iets buitenaards en bovenaards wat door de theologie van Barth tot de aarde was gekomen. De Caesar-demoon moest aan de kant geschoven worden, want die beheerste het denken van de kerkmens. De oude demonen, die van de oude orde, wisten wel dat hun spel hiermee afgelopen was, en sommigen floepten gewoon over op deze nieuwe theologie, deze nieuwe architectuur, om zich erin te behuizen. Er kwamen dus ook zogenaamde Barthiaanse demonen, die juist deze principes op henzelf gingen toepassen om zo toch uitverkoren te zijn en te kunnen uitverkiezen, als nog een bepaalde dekmantel. Het was een totaal-aanval op het werk van Barth. Veel gezinssituaties kunnen dan ook gezien worden als duister-barthiaans, demonisch-barthiaans, want ook het vlees ging met Barth op de loop. Ook het vlees wilde er munt uitslaan, en dat was hun laatste poging om het nog onder controle te krijgen. Kerk en wereld kwam dus op een nieuw platform : de barthiaanse oorlog. Men streed om het geloofsgoed van Barth, want hier stond of viel alles mee. Barthiaanse engelen streden tegen Barthiaanse demonen.


In professoren kringen, intellectuele kringen, en de hogere lagen van de gereformeerde kerk, de bovenlagen en academische lagen, waren zowel Calvijn en Barth gespreksonderwerpen van de dag, het meest aangehaald, het meest besproken, terwijl een heleboel leken nog nooit van Barth hadden gehoord. Er werd weer heel wat achtergehouden. Je groeit als gereformeerd kind niet zomaar op met Barth. Dat kwam ik pas op de bijbelschool tegen. Toen zei de hervormde dominee die mij lesgaf al : ‘De bijbel is slechts een bij-bel.’ 


Barth hamerde dus op het hemelse gezin : Dat was de uitverkiezing. Zo werden de duistere eeuwen die hieraan vooraf gingen afgesloten. Nu was er een strijd om dit gezin. Wat was het ? De Barthiaanse oorlog. Dat was een gezins-oorlog : gezin tegen gezin, en ook gezinsleden tegen gezinsleden. Wie had er gelijk ? Wie had het bij het rechte eind ? Naar wie moest men luisteren ? Voor wie moest men buigen ? Ook het werk van Barth wilden ze vervleselijken. Nu ging ineens alles om het gezin, en voor de duivel was daar nog veel munt uit te slaan. 


Juist Barth had gewaarschuwd tegen het natuurlijke, het vleselijke, hoe het christelijke door en door verrot was, op zwaar gereformeerde, maar toch andere, toer. Ik groeide op in een hele zware gezinsstructuur. Dat was alles. Dat was heilig. Daar mocht je niet aan tornen. Dat moest. Allemaal mindcontrol. Het waren narcisten, clowns. Barthiaanse demonen die het werk van Barth hadden vervleselijkt. Alles draaide om het gezin. God werd op een goede tweede plaats geschoven, maar zij waren God. Loskomen van die gezinsstructuur kon niet, want daar zou je zwaar voor betalen. Je was hun bezit. Hoe je je voelde, daar werd niet naar gekeken. Hoe je erover dacht, dat kon hen niet schelen. Caesar heerste. 


De uitverkiezing was voor Karl Barth dus niet iets engs en vaags van ezeltje prik, maar lag dus besloten in het zoonschap. Karl Barth spreekt hier dus van een veel hogere natuur, die van het hemelse gezin. Dat is ook het wonder van de schepping. Voor Barth was dit het ware evangelie. Je zou kunnen zeggen dat dit een buitenaards en bovenaards gezin is. Die hemelse link moest zichtbaar worden, opdat de oude, valse link zou vervallen. Er moest een grote verschuiving komen. De aandacht moest komen tot die hemelse link. Daarin werd de zoon aangewezen, de hemelse zoon. De uitverkiezing is dus het hemelse gezin zelf, en die heeft zichzelf uitverkoren. Je mag jezelf in die uitverkiezing verliezen, want al het andere bestaat niet, is niet echt persoonlijk. Het gaat ook niet om al het andere wat daarbuiten valt. Dat is niet belangrijk. Het gaat om dit Ene, het ware, de waarheid. Hierin kan de mens geboren worden, tot schepping worden, en zo hieraan deelhebben. Het slechte van de mens zal wegvallen want dat was niet persoonlijk, niet gericht, niet essentieel, niet goed, en bestond ook niet daadwerkelijk. De uitverkiezing van het goede, van God zelf, was de wil van God, de uitverkiezende wil van God, als de God van de uitverkiezing. Dit loopt pantheistisch door de mens heen. Die architectuur van de hemel, van de uitverkiezing, loopt door alles heen.


De uitverkozen hemelse zoon is ook de uitverkozen mens, want de hemelse zoon is ook mens. Zo heeft de mens dus een weg, in het hemelse zoonschap, om hieraan deel te hebben. In het hemelse zoonschap is niemand buitengesloten door een griezelig, mysterieus goksysteem. Barth vond dat allemaal veel te abstract en speculatief. 


Omdat het hemelse zoonschap dus mens werd droeg het zo ook het vleselijke, en werd zo ook verworpen, maar dat ging om dit zoonschap, dus niet om een individu zomaar. Het werd allemaal geschoven op het zoonschap als het aankwam op de uitverkiezing en de verwerping. Zo werd de oude mens, het valse zoonschap, afgedaan, juist opdat het goede, hemelse zoonschap aangedaan kon worden. Er was dus zeer zeker de dubbele uitverkiezing bij Barth, maar toegespitst op het zoonschap. Dat is de som van het evangelie, volgens Barth, en dat is ook de lijn van de tweede bijbel. Calvijn had dus zeker waarde, maar moest nog geduid worden, uitgelegd worden, want alles was nog abstract en duister. Barth moest Calvijn verlichten. Het Oude Testament van de reformatie moest overgaan tot het Nieuwe Testament van de reformatie : Barth’s theologie, wat ook de basis is van de tweede bijbel. In de tweede bijbel wordt in principe Barth’s theologie verder uitgewerkt. Hij ging heen in 1968, en de tweede bijbel begon in de zeventiger jaren op te komen, de beginselen ervan althans. Na Barth kwam de tweede bijbel. Dat is een geheel nieuwe gereformeerde dogmatiek, die dus min of meer Barthiaans is, maar ook neo-Barthiaans, want met Barth zijn we er nog niet. Er moest veel meer gebeuren, maar het was een belangrijk fundament gegeven. Babylon was gevallen, maar nu moest het nog tot werkelijkheid worden. Het was slechts gebeurd, maar nog niet uitgelegd. 


Het hemelse gezin en de hemelse gezinssituatie is centraal, en alles moet daaraan getoetst worden, ook elke natuurlijke theologie, want zomaar natuurlijke theologie zonder de toetssteen van het hemelse gezin, is de geest van Rigil Kent, die de lagere natuur heeft geschapen, de gezinsloze, moederloze natuur, wat tot een vals gezin werd, een valse moeder, juist omdat het moederloos was. Het moet ergens aan te toetsen zijn, en voor Barth was dat niet zomaar de bijbel, of zomaar de natuur, maar juist in de context van de hogere gezinssituatie, de geboorte van de zoon, en dan zou al het andere wegvallen, als sluiers weggerukt worden. Natuurlijk is dat een beeld wat verder getoetst moet worden, want hierin staan dus vele Barthiaanse geesten op de loer om het kind te verslinden. Doortoetsen is de boodschap. Dat is altijd onze boodschap geweest : toetsen aan de hogere kennis. Alle moeders moeten hieraan getoetst worden, alle Barthianen. Ook de hogere kennis moet dus zelf getoetst worden. Dat is de worsteling. Maar dan zien we hier het idee van de uitverkiezing : het toetsen. Het toetsen is de uitverkorene, en niet zomaar het toetsen, maar het doortoetsen, het eeuwige doortoetsen. Dat is wat de ware vreze des heeren is die het begin en hoofd is van de kennis. 


Dat is een neo-Barthiaans idee, beyond Barth, om ook al die Barthiaanse gezinsdemonen te kunnen overwinnen. Wat Barth heeft gestart moest verder uitgewerkt worden, en ook overstegen worden, en daartoe kwam de tweede bijbel.


Doe je dat niet, het doortoetsen, het toetsen van het toetsen van het toetsen etc., dan kom je in het lagere Rigil Kent, lagere Rigil Kentse gezinssituaties, toronto-gezinnen. Daar kom je alleen doorheen door de toetswetenschap, de dogmatiek van het toetsen. Dat is van levensbelang, want de mens is door een gebrek hiervan afgedwaald in allerlei schaduwwerelden en waanwerkelijkheden, ook in Barthiaans vlees. Dat moet er allemaal af. Dat moet overstegen worden, en ook doorgrond. Het komt aan op veel psycho-analyse. Freud moet er op afgestuurd worden. 


Het is dus niet afgelopen, stelt Barth, als er een ‘nee’ is gezegd, maar dit is het begin, en de ‘nee’ heeft diep van binnen ook een ‘ja’, wat het doel is van de ‘nee’. Een hoop overmatig kerkelijk drama kan hieraan afsterven. Barth kwam met een hele andere machine, die dus ook de aandacht van de pauzen trok. Calvijn verpulverde pauzen in zijn zwarte ijzeren hand, maar Barth werd door pauzen gevolgd, zoals ook het eeuwig evangelie die dialectiek liet zien. Het is paradoxaal, als een veilige brug tussen katholiek en gereformeerd. Zowel het OT als het NT is nodig in de reformatie, zowel Calvijn als Barth. En zo wordt er een geheel nieuwe weg getoond, in de tweede bijbelse wetenschap : niet zomaar van theologie, maar van toetsen, toetsologie.


Er liggen dus veel gevaren op het Barthiaanse pad, rigil kentse gevaren (zie het boek ‘Rigil Kent ontsluierd’). Je mag je niet zomaar als zoon aan een moeder overgeven. Dat is slechts een beeld. Je mag je ook niet zomaar aan een hemelse moeder overgeven, want wie zegt dat het hemels is ? Je moet toetsen, leren onderscheiden. Dit zijn slechts beelden, mythes. Barth was ook een hopeloze theologische romanticus. Er staan een heleboel Barthiaanse moeders te grienen als hun zonen het toetspad van onthechting opgaan, want je moet dan echt weer de bardo’s in om van zoveel moederlijk vlees en barthiaans romantisch vlees los te komen, de rigil kentse lagere natuur. Je moet doorgangen vinden in het egyptische dodenboek, tot de Afrika brug, tot de missing links, want de mens is volledig verdwaasd hierin, geromantiseerd, tot een theologische flutroman, en die kan ook heel goed barthiaans zijn.


Dit is de uitdaging van de neo-barthiaanse uitverkiezing : de uitverkiezing van het toetsen, het toetsen te leren kennen. Als je dat onder de knie krijgt, krijg je de uitverkiezing onder de knie, want dat is wat de hogere uitverkiezing is. Dat is het evangelie van de tweede bijbel, het grote werk na Barth.


Overromantiek, de liefde die blind maakt, gebrek aan toetsen, het lagere rigil kent, waarin alles tot siamese tweelingen wordt, de lagere aardse natuur van het vlees, die ook heel goed afgeweken Barthiaans kan zijn. Laten we ons niet vergissen. Er is een grote strijd gaande om de barthiaanse uitverkiezing, en daarom moest de tweede bijbel, de wederoprichting van de toetswetenschappen, wel komen, als het neo-barthiaanse geloofsgoed. Er is leven na Barth.


Zoveel stemmen worden er op de mens afgezonden, zoveel rigil kentse klaagliederen, smartlappen en romantische liederen, om de mens terug te roepen tot de vleespotten van Egypte, terwijl in de diepte van Egypte, in de dieptes van de Egyptische dodenboeken het grotere Afrika wacht. Dat is het Afrika wat weggedrukt is door overromantische spelletjes die het lagere menselijke vlees speelt. Het zijn slechts beelden, mythes, de mens moet verder. Het staat niet op zichzelf. De mens is bedrogen, heeft alles geobjectiviceerd in zijn hebberigheid, in zijn bezitsdrang. Ook het gezin is tot object geworden en wordt gretig verkocht. Toetsloosheid en halfgebakken toetsen is god in dit land, in deze wereld. En daarom noemde Barth de mens in al zijn christelijkheid zondig, want die was verworden tot een onpersoon. Het was een zinkend schip, en Barth kwam op het juiste moment. Zoveel overromantische moeders staan dan te grienen op de kusten, zwaaiend naar hun zonen die de bardo’s ingaan, dieper in de Egyptische dodenboeken tot het grotere, vergeten Afrika, waar nog zoveel geheimen liggen. Zijn we klaar hiervoor ? Zijn we klaar voor de openbaring van het Egyptische moeder dodenboek waarin de poorten opengebroken worden, ons nieuwe sleutels worden aangereikt ? 


Franciscus van Assisi toetste alles aan moeder armoe, maar ook de armoe moet getoetst worden. Het zijn slechts beelden, en die moeten doorgetoetst worden. Zo kom je in de onthechting, en dan gaat door het diepte toetsen vanzelf alles wortel schieten en vrucht dragen. Dat is het tweede bijbelse idee van de schepping, een wetenschap. We bespreken zo een veel hogere natuur die boven de gezinsnatuur uitsteekt. Het gezin is slechts een beeld van het toetsen, maar met beelden alleen kom je er niet. De mens heeft alles overmatig lopen verbeelden en het overmatig lopen verafgoden. Trek er je lering uit en ga verder met je reis door het Egyptische Dodenboek, tot de poorten van het grotere Afrika, het Orionse Afrika, de missing links, als je tot de eeuwige rust en vrede wil komen, de eeuwige sabbath waarin alle werken des hemels te vinden zijn. Dat is de rust van het eeuwige toetsen, ook een beeld. Dat is veiligheid. We spreken in beelden, maar nu moet het nog getoetst worden, en gekomen worden tot de psycho-analytische sleutels ervan : Freud in Egypte.


Het is een strijd tegen de geest van abortus, en daarom staat er ook in het Egyptische moeder dodenboek de SPREUK OM NIET GEABORTEERD TE WORDEN IN DE ONDERWERELD :

1. En zo zullen zij die opgaan tot Name (de oerkennis) gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid. Ja, tot ondergrondse schuilplaatsen zullen zij komen, en zij zullen de tenten van Name wederom doen oprijzen. 

2. En de geslachten die vrijgekomen zijn, zullen gaan naar de schuilplaatsen der oude moeders en hun ondergrondse nederzetting, en zij zullen de armoe heiligen.

3. En oude geheimenissen zullen geopend en opgelost worden, en de zegelen van hun boeken zullen verdwijnen.

4. En Name zal hen toegang geven tot oernederzettingen, en er zal een drievoudig snoer opgericht worden, en niemand zal in staat zijn het te verbreken.

5. En niets zal meer belangrijk zijn dan dit snoer, en de jongen zullen beschermd worden en opgeleid.

6. En dan zal het snoer tussen de oernederzettingen gaan bewegen, om ze vele malen tot heil te brengen.

7. En steeds weer zullen zij wederkeren tot de nederzettingen.

8. En zij zullen gaan tot de nederzetting der velden en de nederzetting der boeken, en zij zullen de verborgen geslachten vinden, en het zal hen in de nederzetting der wildernissen leiden.

9. Zij zullen komen tot de nederzetting der zeeen, en zij zullen de geschriften op de binnenmuren van de oernederzettingen begrijpen, daar Name de zegelen heeft verbroken.

Karl barth – het geheimenis van 1929   - 1 januari 1970

 

karl barth – het geheimenis van 1929

 


Karl Barth was in strijd met de wurgslang van theologische zelfverzekerdheid, de theologische arrogantie, wat hij een moderne geest noemde, een gebrek aan vreze des Heeren. Hij benadrukte hoe oneindig de afstand was tussen God en mens, en dat de mens zich niets moest inbeelden. Deze strijd is ook de opdracht van de theologie, stelt Barth.

 


In de vreze des heren kan de dogmatiek, de kennis, geboren worden, een opdracht ontvangen en uitgezonden worden tot prediking, wat de dynamiek van het hemelse woord is. Dat is het criterium, wat niet in de handen van de mensen is, maar in de handen van de hemel, en wat geheel in zichzelf bestaat. Zoals de Vur stelt is er alleen leven mogelijk op de brug, en dat is het geheimenis van het hemelse woord. Het werkt door allerlei mogelijke bruggen, dus de mens moet loskomen van theologische eenzijdigheid. God kiest de vaten waardoor hij spreekt en dat gaat dus niet direct, wat ook weer een boodschap van de vur is. Het hemelse woord kan in die zin het mensen woord gebruiken. Daarom is het woord dus ook een paradox. Dat is de dialectische theologie. Dit is de taal van God tot de mens, die dus niet rechtstreeks gaat, maar via filters, via omwegen, anders zou de mens het niet aankunnen. De mens moet dan eerst weten hoe taal werkt.

 


Dwars door het woord van de mensen komt het hemelse woord tot ons, ons tegemoet, dus we moeten het niet te overmatig zwart-wit stellen. Het hemelse woord is een werkwoord, en werkt ook door andere woorden heen. De dogmatiek of godsdienstwetenschap is de geestelijke architectuur hierin. Barth noemt God’s Woord werelds en eenzijdig, in wereldse taal, en dat het een mysterie is. Het gaat zo ver en zo diep dat het helemaal niet meer God’s Woord is, maar dat God er wel doorheen werkt, ondanks wat het is. Daarom stelt hij ook dat God vreemd is, verborgen en onbekend, maar juist in die wereldlijkheid en menselijkheid maakt hij zichzelf bekend. Zijn wegen zijn hoger dan de wegen van de mensen, en zijn gedachten zijn hoger dan de gedachten van de mensen. Barth stelde ook dat God’s toorn en oordeel de harde schil is van God’s genade, en alleen degene die God’s genade kent, weet wat God’s toorn en oordeel betekenen. Telkens weer worden we daarom in het geestelijke teruggebracht tot de letter, tot het woord.

 


Barth liet zien hoe ver de kerk van God was afgeweken, hoe eindeloos het ravijn was tussen God en mens, en hoe de mens had lopen wanen en verbeelden om er maar controle over te krijgen. Iedereen werd daar mee geconfronteerd, en iedereen bevond zich ineens in deze Barthiaanse architectuur. Er waren geen gemakkelijke antwoorden meer. Nu moest de mens de godsdienstwetenschap leren kennen, wat dat inhield. Oh, wat waren de boertjes boos. Het vlees en snoepgoed werd hen uit de mond gerukt door Barth. Als we het over God hebben, stelt Barth, dan hebben we het over de originele en authentieke persoonlijkheid, onderscheiden van al het andere. Natuurlijk is dat iets om naar te verlangen, om persoon te worden. Natuurlijk is dat iets om naar te zoeken, en iets om te scheppen, maar daar zijn duidelijke regels voor in de dogmatiek, in de wetenschap. Barth was een beetje de spelbreker, net zoals Napoleon vroeger : De schepping is er nog niet geweest, maar God is die schepping. Het ligt wel ergens voor ons klaar. De mens zoals die nu is is geen persoon. Het is nog niets. Barth stelde dat God zijn verschillendheid en vrijheid niet zou opgeven, maar juist in de oefening ervan, in het werken daarin, als schepper, is er een brug naar die andere werkelijkheid, en is hij getrouw hierin. Zoals we zagen is juist zijn ijverigheid en creativiteit datgene wat hem onderscheid, en dat is dan uiteindelijk ook het middel tot heling. Je wordt geen persoon door luie massa-redenaties waarin niks echt veranderd. Het is de vloek van het luie denken, en alles wat God heet heeft dat overstegen. God gaat daar dwars tegenin en een ieder die in hem is. Dan zou er mogelijkheid tot geboorte en bestaan zijn, maar de rest is in de illusie van de zonde, een akelige traagheid, want er verandert niks.

 


Het idee ‘God’ was gekooid door de mensen en door de kerk, maar Barth gooide het slot open. Er was toen een grote uittocht, een grote exodus. Zowel vriend als vijand kon daar niet omheen. Na de eerste wereldoorlog kwam hij opzetten, wat de grote onafhankelijkheids-oorlog was, en die verschoof zich naar de kerk, wat al in de jaren 1800 was begonnen in de grote regressie en afscheiding, maar Barth was nog niet klaar. Er moest veel meer gebeuren. Dat is het geheim van 1929, de val van Babylon. Deze lijnen liepen parallel, door allerlei gebieden. De bliksem was flink ingeslagen. Barth gaf zijn eigen idee van wat de reformatie was, en zijn mes kende geen genade. Hij was niet gekomen om de grote poppenbazen van de kerk naar de pijpen te dansen. Hij was een totaal eigenaardig en eigenzinnig mannetje. Hij deed een heel ander dansje. Hij danste dwars door alles in en tegen alles in. Het bestaan van de mens was nu het twijfelpunt, en niet meer het bestaan van God. Als de mens niet zou bestaan, zou God nog steeds God zijn. Het was onafhankelijk daarvan.

 


God had een goede reden om zich verborgen te houden en onbekend. Hij hoefde niets. Waarom zou hij met mensen moeten optrekken die misschien niet eens bestonden ? Toch deed hij het, maar hij kon het rustig gewoon laten. God was de mens niets verschuldigd, helemaal niets. Wat dacht de mens wel ? Als God dan uitreikt tot de mens dan mogen we nog steeds de vraag stellen of dat God is, of dat de mens gewoon waant dat God naar hem uitreikt, gewoon bijvoorbeeld om gelijk te krijgen, om een of andere strijd tegen een ander te winnen, net zoals bij een rechtszaak, allemaal wereldse projecties. Er wordt van alles ingeschakeld, er wordt van alles ingekocht en opgehoest, maar het is maar de vraag of het de oprechte waarheid is. Het kunnen ook gewoon paardenwedders zijn. Toen Barth kwam hield Wallstreet het niet lang vol, en stortte in. Er moest een hele andere orde komen. De financiele en religieuze waanzin van gokspelletjes over de ruggen van anderen heen mocht niet langer blijven bestaan. Babylon was gevallen. Lijkt het erop dat Babylon daarna weer opgebouwd werd ? De mens wil dat graag geloven.

 


‘Ik geloof in Babylon, ik geloof in mezelf,’ zegt de mens, en gokt dan door. Maar bestaat de mens wel ? Toen Babylon viel wilde de mens dat niet zien. En toen kwamen de nazi’s, en toen kwamen de Russen. En toen kwam het medische wereldrijk. Maar Babylon was gevallen. De mens moest nog de diepte zien van 1929 en het alcohol verbod. De mens moest eraan vasthouden.

 


Barth’s theologie is geworteld in die van Kierkegaard in de jaren 1800, ook een geliefd onderwerp van de hervormde dominee die mij lesgaf op de eerste bijbelschool vroeger, want hij had het altijd over Barth en Kierkegaard. Er wordt een nadruk gelegd op de Onbewustheid van God, wat dus heel pantheistisch is. Kierkegaard stelde dat er geen voortdurende gemeenschap met God is. Hij stelde dat het alleen maar mogelijk was in het ogenblik, als het inslaan van de bliksem, en dan is het weer weg. Zo stelt de Vur het ook. Het komt en gaat, en als het gegaan is kun je het alleen overdenken. Dan moet je het uitwerken in je herinnering. Het ligt dus allemaal in het moment. Ook 1929 was maar een moment. Je zag de uitwerking ervan in de dertiger jaren, maar toen verdween het weer. Er moest een les uit getrokken worden. Er moest aan vastgehouden worden. Ook het alcohol-verbod werd weer opgeheven, en de mens begon weer te drinken als nooit tevoren. Als God is nedergedaald dan is alle grond onder onze voeten weg, als een grote aardbeving. Alle menselijke woorden dwarrelen dan weg, en dan zien we alleen nog maar het hemelse woord. Door die strijd werd God zich eens van zichzelf bewust, door het op elkaar inbeuken van de elementen. Er is gemeenschap, maar dan sijpelt alles weer weg.

 


Barth bracht het zondebesef over alle ‘christelijkheid’ weer terug. Alles was zondig in zijn ogen, stelde Klaas Schilder, dus ook de christelijke scholen en de christelijke politiek, de hele schepping was zondig, de gehele geschiedenis, het stond lijnrecht tegenover God. Schilder zei dat die leer van Barth veel mensen gepakt heeft, dat ze dachten : ‘Dit is zwaar gereformeerd.’ Daarom had Barth ook grote aanhang in hervormde kringen. Hij gebruikt gereformeerde termen maar geeft ze een hele andere inhoud, stelde Schilder. Barth opende de kooien van het kerkvee, sprak ze aan in hun eigen taal, maar met hele andere betekenissen. Zo was er een grote uittocht.

 


‘God is jullie niets verplicht,’ stelde Barth. ‘Zorg zelf maar dat je een echte persoon wordt.’ Hij wees daarvoor het pad van de dogmaticus, oftewel het pad van de godsdienstwetenschap, en als je daar te makkelijk over wilde denken, dan zou je er maar niet aan moeten beginnen. Zo stelde hij één van de grootste theologische werken op aller tijden : de kerkelijke dogmatiek, wat uit vele dikke pillen bestond, deel na deel. De kerk moest zich klaarmaken voor een hele andere hierarchie, namelijk die van God’s immanente wezen en werken, getrouw aan zichzelf, waarin de triomf van hemelse vrijheid zichtbaar werd, juist door van hieruit te werken met het wezen wat verschilt van hemzelf, het wezen buiten hem. Hij omschreef dit als de hemelse weelde, die zeker niet roekeloos was, zeker niet ongebonden, maar één geheel bleef vormen, in zichzelf bleef en daarvan niet afweek, en dit gebeurde door het zoonschap. Zo kon die immanentie er zijn, zo kon het bestaan. Zo is er dus vrijheid binnen de grenzen, met een duidelijk pad en een duidelijk doel, een vrijheid om te groeien, een vrijheid om het uit te werken, zonder af te wijken van de bron en de richting, zonder af te wijken van de hemelse logistiek. Het stroomde als een rivier. Het rekende af met de gebondenheden tot de valse goden en tot de tijdsgeesten. Karl Barth trapte tegen algemene vrijheid aan, maar wees er op dat vrijheid altijd een hemels attribuut was. Hij was dus niet zomaar een liberalist. Hij kwam met een duidelijk doel en een duidelijke taak. Hij was de Maarten Luther van de jaren 1900, als de Mozes van de jaren 1900 die riep tot de farao’s van die tijd : ‘Laat mijn volk gaan.’ Hij zei dat als we zeggen ‘God is vrij,’ dan ligt de nadruk op God, en niet op vrij.

 


Toen het eeuwig evangelie opkwam klaagden sommige mensen erover dat het weer zo christelijk was, maar zij gingen hier dus totaal aan voorbij. Zo klaagden de mensen tot Mozes in de woestijn. Ze waren ondankbaar, wilden het niet uitwerken, want ze waren zogenaamd liberaal. Er is niet zoiets als liberale gnosis. De vrijmaking is iets heel anders. Alleen de waarheid maakt vrij.

 


Barth stelde dat de liefde van God, van de ware persoon en persoonlijkheid dus, geheel vrij is, gegrond in zichzelf en geen ander nodig heeft, maar ook geen gebrek heeft aan de ander. Er is voorzienigheid en die werkt door het zoonschap. Alles is ingebouwd. Het heeft aan zichzelf genoeg, en heeft voldoende van de ander, geen gebrek. Het is er allemaal. Het is een bewustzijn wat moet groeien, ook in God. God is ook de Onbewuste, naast de Onbekende en Verborgene. God moet ook van zichzelf bewust worden, wat door dit mechanisme gaat. Daar sprak Kierkegaard ook over, die de Karl Barth was van de jaren 1800, als het prototype, het zaad van Karl Barth. Kierkegaard sprak ook al over God als de grote Vreemde en het Absurde. De mens kon daar niet zomaar op inhaken.

 


Barth stelde dat als de liefde van God zou weggenomen worden, en daardoor het doel van God, dan zou er alleen nog maar een wereldprincipe overblijven. Vrijheid zonder liefde is niks waard, en is allemaal bedrog, de illusie van de zonde. Hierin moeten we dus ook allerlei vormen van kerkelijke, wereldse en menselijke zakelijkheden overstijgen, want het gaat om het grotere en hogere hemelse mechanisme, over de gereformeerde dogmatiek, de wetenschap van de reformatie. Uiteindelijk is dat niet iets economisch, maar iets systematisch. Uiteindelijk stort elke economie die dit systeem achterhoudt in. Dat was waartoe Karl Barth kwam, en dat was het geheimenis van 1929.

 


Barth stelde dat het onmogelijk was een perfecte God te kennen zonder zijn perfecties te kennen. Anders zou God en godsdienst tot een allesverslindend monster worden. Karl Barth liet het zien als een pad. Hierop moest de mens geconfronteerd worden met de hemelse weelde van deze kennis. Wil je klaarkomen met dat mysterie ? Veel mensen hebben die ambitie niet. Ze leven ogenschijnlijk, maar glijden dan ook weer weg in het niets. Ze waren nooit tot waarlijke personen geworden door de hemelse werken.

 


Het gaat om de momenten, en dan is er werk aan de winkel. Je kunt niet telkens op de pieken zijn. Er komt een piek, en dan moet het uitgewerkt worden, verdiept, tot een nieuw moment, een nieuwe piek. Zo wordt het systeem van de reformatie zichtbaar, de Barthiaanse werkelijkheid. Zo komt 1929 tot leven in al haar abstractheid. Kun je daarmee leven ? Het is een hele uitdaging. Het roept de mens op tot hemels werk. Zo kan de mens ook telkens afdalen. Voortdurend leven op de pieken zou de mens fataal worden.

 


De zware gereformeerde kerken wisten dat ze zondig waren, hadden een groot zonde besef, hielden niet zo de schone schijn zoals de lichtere en vrijere gereformeerde kerken en groepen. Barth kwam juist de zwaarderen tegemoet om een ander licht te geven op het gereformeerde, een andere, diepere betekenis, en tot de meer liberale gereformeerden die gewoon levensgenieters waren, vol van henzelf en hun kortzichtige structuren riep hij : ‘Kom terug. Leg je gereedschap neer.’ God was immers niet in hen aanwezig. De kandelaar was van hun kerk weggenomen. Hoe verschrikkelijk moet dat zijn als je straks vruchteloos moet verschijnen voor de troon van de hemelse natuur, dat je onder ogen moet komen dat je je leven al dan niet deels gewoon hebt lopen verspillen aan bijzaken en nietigheden. Barth probeerde nog te redden wat er te redden viel. Maar bestond die mens wel die hij probeerde te redden ? Of was het daar waar God zijn hand terugtrok omdat het toch allemaal niet echt was ? Al met al worstelde hij met dit mysterie van een God die zich telkens weer terugtrok en verborgen hield, maar ook loopbruggen uitwierp. Het is er, en het is er niet. Vandaar dat hij over de grote paradox sprak. Het was een uitdaging om dit mysterie te kennen, en hierin had hij een bepaalde verlichting ontvangen.

 


Liefde in vrijheid, waar Barth op hamert, of vrijheid in Liefde, als het wezen van God, gaat dus heel duidelijk om een bepaalde koers, een bepaalde richting, en niet zomaar roekeloos liberalisme. De vrijheid houdt zich dus aan de grenzen van de liefde, en is dus gebonden aan de liefde, altijd weer. Daar wijkt de vrijheid niet van af. Telkens zal dat ook weer het antwoord zijn op de vraag wie God is. Zo kan vrijheid dus niet corrupt worden. Heeft dit dan gewicht ? Ja, dit heeft gewicht. We moeten niet zo modern worden dat we over deze dingen niet meer spreken. Het is het centrum van het bouwwerk, de motor ook. Hier draait alles om. Onze vrijheden moeten ingebonden worden door de liefde. De ware liefde is hemels. Alle andere liefde bestaat niet. Als je dan die diverse perfecties van God ziet en overdenkt, dan moet je je vervolgens wel afvragen in hoeverre het bestaat. Barth stelt dan dat God alleen een herhaling is. Weer komt het neer op de moment-opname. Er is iets, er is iets gegeven, en dat blijft zich herhalen. Wel gaat het zich openbaren, zich bewust worden en bewust maken. Dat is dan de definitie van de reformatie. Luther kwam, toen kwam Kant met de Duitse verlichting, en toen kwam Barth. Het was een natuurverschijnsel. Het kwam en vertrok weer. Volgen wij ? Gaan we het mysterie uitwerken ? Gaan we het avontuur en de uitdaging aan ? Of leven we rustig door alsof er niks gebeurd is, alsof alles nog uitgevonden moet worden ?

 


Mag God zichzelf zijn bij je, of moet hij voldoen aan jouw eisen en standaarden ? Karl Barth stelt dat als hij zijn woorden in onze mond legt, dan moeten we het ook laten interpreteren door hem. Dat kunnen dus ook hele menselijke woorden zijn, en dus ook hele christelijke woorden. Mag God zichzelf zijn ? Of moet hij als hij bij jou in de buurt komt allerlei stukken van zichzelf gaan verloochenen, gewoon om jou te behagen ? Heb je misschien nog het idee dat God de hond is die aan jouw ketting moet liggen ?

 


De jaren 1700 : de komst van zowel Immanuel Kant als John Wesley. Karl Barth droeg ze beiden in hen. Hij kwam niet zonder alarm systeem. Hij bracht de vreze des Heeren terug over alle afgeweken christelijkheid, maar ook over al het afgeweken liberalisme. Het was alsof de bliksem insloeg in de hele wereld, en de aarde viel in stukken uit elkaar. Het grote Babylon was gevallen. Met 1929 viel de electriciteit uit. De grote depressie moest wel komen, want de mens was natuurgrenzen overgegaan. De mens werd teruggefloten. Karl Bart stelde dat God net zo goed kon spreken door het Russische communisme, een fluitconcert of een dode hond.

 


Karl Barth kende de vijand : willekeurige opinie en kans. Mens en kerk waren verworden tot een banaal gokspel. De pit was eruit. Er was geen heilig ontzag meer. Er was geen verwondering meer. Slechts bedondering. Waarom zou God opnieuw dingen openbaren terwijl God ze al had geopenbaard ? De mens moest het maar uitzoeken. God was een moment-opname. Daarna ging het weer weg. Wie zou volgen zou ook vervolgd worden. Volgen en vervolgd worden. Hoor je dat ? En daarom volgden een heleboel niet, omdat ze vervolging vreesden.

 


Karl Barth stelde dat God zowel volledig geopenbaard is als volledig gesluierd. Dat is de genade van openbaring. Voor elk menselijk vlees blijft het versluierd omdat het menselijk vlees niet het kleinste vermogen heeft iets van de dingen van God te begrijpen. Kennis vereist gehoorzaamheid, stelt Karl Barth, en onwetendheid vereist nederigheid. Hij is dus op hetzelfde moment Gekend en Ongekend. Zelfs in openbaring blijft hij geheel onkenbaar. Er is geen grond om hem te kennen in onthulling. We kunnen hem alleen integraal kennen. Zelfs als we hem dan kennen is hij onkenbaar, en we kunnen hem niet meester worden, in al ons denken en spreken over hem, stelt Karl Barth. Wat vergist een mens zich telkens weer. Telkens weer steekt het de kop op, de symptomen van de toren van Babylon in de mens. Iedereen zal ontwaken tot 1929. Dat staat als een paal boven water. 1929 leeft. De wereld heeft zich niet meer kunnen herstellen, alleen in schijn. De theologie van Karl Barth achtervolgt haar.

 


Maar dan is er de genade van openbaring, stelt Karl Barth, een groot mysterie. Laten we niet denken dat we dit ook zo maar even in onze broekzak kunnen krijgen. Dat is de paradox. Liefde is de oefening van vrijheid. Ze horen bij elkaar. Dat is de brug. Er is een brug tussen de kenbaarheid en onkenbaarheid van God, ook al is het maar een moment. Het komt, het werkt, het werkt na, het gaat weg. Je hebt het of je hebt het niet. Als je het hebt, dan heb je het daarna niet meer, maar je had het, en daarmee moet je werken, als je bestaat. Besta je wel ? Heb je wel bestaansrecht ? En waaraan denk je het te onttrekken ?

Karl barth : een kernbom op de kerk    - 1 januari 1970

 

Wat was het 1929 verschijnsel wat de dertiger jaren inluidde ? Vandaag gaan we het hier over hebben, want 1929 stond niet op zichzelf.

karl barth : een kernbom op de kerk

 

Babylon viel al in 1929 met de wallstreet crash. Toen was het game over en was iedereen weer gelijk. Maar wat houdt het in ? De grote depressie kwam toen in de dertiger jaren. Babylon was gevallen, maar het leek in de veertiger jaren weer op te krabbelen. Het leek. Maar Babylon was gevallen, en het waren slechts stuiptrekkingen. De mens moest nog tot de diepte van 1929 komen, en tot de diepte van de dertiger jaren. Wat is het ? De Afrika brug kruiste met de Amerika brug, en alles was gelijk. De hele wereld was de derde wereld geworden. De aarde werd stil. Er was een grote leegte. 


Karl Barth stelde in zijn kerkelijke dogmatiek dat handelingen alleen voortkomen vanuit de eenheid tussen de natuur en het geestelijke. Hij stelde ook dat iets wat meer geestelijk is ook meer actief is. Kersten stelde dat we de natuurlijke component van het geestelijke niet mogen onderschatten, maar ook niet mogen overschatten. Kersten klaagde erover dat Barth de kerkvader van de jaren 1900 werd genoemd, en in zijn voorwoord (van de gereformeerde dogmatiek) noemt hij al dat Barth de reformator van de jaren 1900 wordt genoemd, terwijl hij volgens Kersten van bladzijde tot bladzijde Calvijn en Luther in het aangezicht slaat. Alles is bewegelijk bij Barth, terwijl Kersten meer neigt naar het statische. Barth noemt God ‘de Onbekende’ en ‘de Verborgene’, zoals Amen in de egyptologie, en dat was voor de kerk die alles in kannen en kruiken had, God in een hokje had gestopt, te moeilijk te verdragen. Toch had Barth grote invloed en bracht vernieuwing, en werd hij overal genoemd en gelezen. Barth liet de theologie zien als een paradox, en introduceerde de dialectische theologie. Barth legde de vinger op de zere plek : de mens was in de illusie van zonde, waardoor hij God als een projectie van hemzelf beschrijft. Dat was het probleem van de kerk, en de kerk moest dus wat stappen terugnemen. Barth was daarom zowel geliefd als gehaat, beroemd en berucht. En nog steeds is dit zo.

 


Barth stelde dat God de echte en ware persoon is, en niet de mens, en gooide zo een kernbom op de kerk. Het ging niet meer om de vraag of God bestond, want dat was overduidelijk, maar of de mens wel bestond. God bestond volgens Barth in zijn werk. God’s openbaring, zo stelde Barth, had niets te maken met menselijke gronden, maar was uniek. Het had niets te maken met menselijke sterkte of zwakheid. God’s werk, zo stelde Barth, was triomferend, omdat het niet gebonden was aan menselijk werk. Het stond op zichzelf en steeg boven alles uit, als de natuur, maar ook als de geestelijke natuur. Er is niets naast God of buiten God. Als er iets buiten is dan is het secundair. De mens werd ruw door Barth opzij geschoven, ook de kerkelijke mens die alles dacht te weten, alles al in potjes en pannetjes dacht te hebben. Toen Barth opkwam in de jaren 1900 ging er dus een grote aardverschuiving door de kerk. Babylon was aan het vallen. Al die hoge kerkelijke, pauselijke, en ook gereformeerde torentjes waren aan het instorten. Dat kon toch niet zomaar ? Daar moest wel een antwoord op komen. Daar moesten zware theologische honden op afgestuurd worden.

 


Al die boertjes in de kerkbanken en op de preekstoelen die God in hun broekzak dachten te hebben liet hij de broek afzakken. God was de grote Onbekende. Daar bleef Barth op hameren. Hij zette ze allemaal in hun hempie. Ik kan me herinneren dat op de eerste bijbelschool ik filosofie les had van een markante hervormde dominee, en die had het ook al altijd en eeuwig over Karl Barth.

 


Barth stelde dat God gemeenschap zoekt en schept tussen Hem en de mensen, maar dat Hij dat niet hoeft te doen, want in Hem, zonder de mensen, en zonder dit, heeft hij datgene wat hij zoekt en schept tussen Hem en de mensen. Dit is dus een overstroming van zijn essentie, stelt Barth in het tweede deel van zijn kerkelijke dogmatiek (KD). Die overstroming is hetzelfde als zijn essentie, en behoort tot zijn essentie. Daarbuiten, buiten God, apart van hemzelf, ligt dan nog de schepping van de mensen, van de wereld, die dus van hemzelf verschilt. Hierin confronteert God de mens, opdat de mens de eenheid vindt tussen de natuur en het geestelijke. Dat is God’s manier van het gemeenschap zoeken en scheppen tussen hem en de mensen, en dit gaat door het werk van openbaring. Daardoor wordt het opgebouwd van laag tot laag. Dat noemt Barth de grote paradox, het contrast, de contradictie, de antithese, wat zich uit in de strijd tegen zonde, God’s boosheid en woede, en God’s afzondering van de zondaren, Zijn oordeel etc. Er is hierin altijd de samenhang tussen sterven en tot leven gemaakt worden, tussen sluiering en ontsluiering, tussen licht en duisternis, maar het licht schijnt uit de duisternis wanneer deze duistere, twijfelachtige en ondoorgrondelijke dingen worden geopenbaard, stelt Barth, totdat we God kennen als zoeker en schepper van gemeenschap. Buiten dat is er geen ware relatie. Het gaat dus er niet om of God bestaat, maar of de mens wel bestaat. De mens en zijn relaties is allemaal aardse bedriegerij, de illusie van de zonde, als die mens is afgeweken van zijn relatie met de geestelijke natuur.

 


Dit is het enige wat we vinden in God als eeuwig wezen, de geestelijke natuur. Daarom wijst Barth ook op het belang van het zoonschap. Het zoonschap mag niet uitgebannen worden, want zo wordt de mens juist deel van deze dingen. En dit voorbeeld is ook in de wereld gezet. Het zoonschap is al geheel uitgestippeld, het gehele pad van het zoonschap. Dat is geopenbaard aan de mens. Dat is ergens neergezet opdat de mens het zal vinden. We kunnen stellen dat we hiervoor tot de Afrika brug moeten gaan, opdat we tot de diepte ervan kunnen komen, en niet blijven vasthaken in de vleselijke openbaring die de kerk als god heeft opgesteld.

 


Barth blijft erop hameren dat God de Zoeker en de Schepper is. God houdt het niet voor hemzelf, maar tracht het te communiceren. Hoe erg is het om zoveel moois voor jezelf te moeten houden ? Hoe erg is het als ze het voor zichzelf houden en dan gaan verkopen zodat alleen de rijken en machtigen het kunnen bezitten ? Dat laat ook weer de onzin zien van de relihandel. Dat is niet van God. God maakt altijd een brug over het ravijn. Het is altijd een licht dat uit de duisternis schijnt. Barth noemt dit het wonder van de liefde.

 


De liefde van God is een einde en voleinding in zichzelf, stelt Barth. God’s liefde communiceert zichzelf, en het heeft zijn eigen grond, tegen de geliefden. Die liefde is niet afhankelijk naar zijn object. Ja, de liefde is noodzakelijk voor zichzelf, want dit is zijn natuur, zijn essentie, maar die liefde zou er ook zijn zonder de mensen en zonder de wereld, en het is de vraag of de mens wel bestaat. God heeft niemand anders nodig om de grond voor zijn bestaan te garanderen, stelt Barth. Dat is de paradox en dialectiek die Barth predikt en daarin mag de mens opgenomen worden, maar dat is niet noodzakelijk, want God’s liefde behoeft het niet dat iets anders wat van Hem verschilt zijn object daarin heeft. Dat is niet God’s werk en wezen. Het hoeft helemaal niet. Het bestaat misschien ook niet. Een heleboel zal gewoon dus ook weer wegglijden, omdat het slechts verzinsels waren, de illusie van de zonde. Uiteindelijk gaat het God erom wat in zijn eigen wezen is. Wat daarbuiten is is twijfelachtig, en heeft eigenlijk geen bestaansgrond. Veel zal uiteindelijk niet hoeven. Het is er wel, maar het is gewoon voor dat wat is, niet voor dat wat er niet eens is.

 


Klaas Schilder bestreed hem op veel punten, net als Kersten deed, maar Klaas Schilder noemde hem ook een profetische verschijning die iets heel bijzonders en iets heel eigens betekende. Karl Barth had een bepaalde verlichting ontvangen, en die kwam hij de kerk binnen brengen, en allereerst waren de gereformeerde boertjes die God in hun broekzak dachten te hebben, en in hun pijpjes, daar veelal overstuur van. Er werd nog veel tegengestribbeld. De boertjes gaven zich niet zomaar gewonnen. God was tot een stuk vee geworden in de loop van de kerkgeschiedenis, en werd overal door de boertjes naartoe gesjouwd, maar Karl Barth ging daar met de grote zweep doorheen, door al die religieuze veehouderijen. Daarom had Schilder ook een grote eerbied voor Barth, want Schilder was zelf ook als markante polemische man vaak in gevecht met de kerk-boertjes. Natuurlijk had Schilder, net als Kersten, zijn eigen stokpaardjes. (1) 

 


Hebben wij dan deze Barthiaanse verlichting nodig ? Zeer zeker wel. Het is niet voor niets gegeven in de kerkgeschiedenis. De Barthiaanse godsdienstwetenschap was zowel een weg uit de kerk als een weg in de kerk. Het heeft allemaal te maken met de openbaring van de verdere reis door het dodenboek beneden Egypte, in het diepere Afrika, terug tot Orion. Laten we geen sleutels over het hoofd zien die door en in Barth werden aangereikt, om langs zulke wachters heen te komen die de kerkgeschiedenis al tijdenlang geteisterd hebben. 

 


Barth stelt dat God niet minder hemzelf is als het wezen der liefde als hij geen object dat anders is dan hem liefheeft, maar in het feit dat hij dat toch doet overstroomt zijn liefde, zonder dat hij daardoor beperkt of geconditioneerd wordt. God’s liefde is dus totaal soeverein. Barth noemt dit een wonderlijke tweevoudige dynamiek van zijn liefde. Het gaat niet buiten zijn wezen om, maar is altijd toegewijd aan zijn wezen. Toch treedt hij dus uit naar iets buiten hem, wat een wonder is, het wonder van zijn liefde. En de vraag is dus of de mens wel bestaat. Er is dus nog iets tussen God en mens, namelijk het uitreiken, het zoeken, en het scheppen van gemeenschap op zichzelf, waar God op gericht is, omdat dit een eigenschap van hem is, of er nu daadwerkelijk een object voor is of niet. Alles buiten God is twijfelachtig, en kan zo wegvallen. God is de grote Onbekende en Verborgene. Dat was de kernbom die Barth op de kerk gooide, en niemand zou zich daar nog van herstellen. Barth werd een begrip. Je kon erin meegaan, of er lelijk over struikelen. 

 


Barth stelde dat de kerk nu heel voorzichtig moest zijn, en stelde een zwaard van Damocles boven de kerk. ‘Wees heel voorzichtig nu, heel voorzichtig.’ De kerk moest klaarkomen met de definitie van ware, geestelijke liefde, en niet vasthouden aan het algemene begrip wat men over liefde had, want dan zou de mens God van zijn goddelijkheid beroven. Stel je voor. Barth stelde dat dat kon als de mens niet voorzichtig genoeg zou zijn in het spreken over de liefde. Het kehatitische verschijnsel was aan het terugkeren tot de kerk, als de testende trap tot de troon van Osiris, Sar (god, Egyptisch, Hebreeuws). Een verkeerde beweging en je zal terugglijden of in een valstrik terechtkomen. Je kon de ark niet zomaar meer aanraken, want je zou erdoor verteerd worden. Barth legde de lat voor de kerk weer veel hoger. God’s liefde was de enige grond voor God’s liefde, en de mens moest zich niets inbeelden. Barth stelde dat het doel van God’s liefde God’s liefde was, dus in zichzelf gericht. Alle verdere inzichten over wie of wat God is moeten rondom dit mysterie cirkelen. Het moest een echo hiervan zijn. De mens kan alleen een persoon worden in de liefde van God. De mens is daarbuiten helemaal geen persoon, stelt Barth. De mens bestaat dus niet zomaar. Er moet zwaar aan getwijfeld worden of de mens wel bestaat. Dat kan niet zomaar. Er is niet zomaar grond voor het geloof dat de mens bestaat of een persoon is. Barth trapt al die grond onder de voeten van de in mens en kerk gelovende kerkmens weg. 

 


Barth beschrijft dus eigenlijk de ware schepping : Je kunt alleen een persoon worden als je zoals God bent, en zoals God liefhebt. Zo niet, vergeet het dan maar. Dan besta je niet eens. Dan doet het er allemaal niet toe. Het moet op God’s manier, stelde Barth, of helemaal niet. God’s liefde was volgens Barth ook de enige grond waarop God een ander kon confronteren, een ‘gij’. Zo had God de eigenschap van gemeenschap, in Zichzelf, zonder de behoefte aan de ander, maar met het vermogen gemeenschap te scheppen in referentie tot de ander. Daarom is God een persoon, en dat is de enige weg om een persoon te zijn, in de theologie van Barth. Hij wijst dus de weg tot de ware schepping, in de Schepper zelf. Zo komt de mens tot ware wedergeboorte, tot ware geschapenheid en persoonlijkheid, en is de mens geen feutus meer in de illusies van de zonde. Dit is dus de enige persoon, en niet slechts het ideaal. Hij is dus niet alleen de ideale, maar ook de enige. En hij is uniek. De weg daartoe beschrijft Barth als het zoonschap. Het gaat om het kennen en werken, stelt Barth, en de liefde is daarin een metafoor. Zo wordt je van iets tot iemand. Daarom, als je daadwerkelijk wedergeboren wil worden, kun je niet altijd steriel spreken van ‘gnosis’ of ‘kennis’, of ‘natuur’, maar blijven we ook de persoonlijke woorden behouden zoals God en Moeder Natuur, en de Zoon, ook al zijn dit metaforen, anders wordt het jezelf tot valstrik. Dit gevaar is al lange tijd geleden besproken, van mensen die in de gnosis hip dachten te wezen en het woord God of soortgelijke woorden niet meer wilden gebruiken, of er niet meer van wilden horen. Het is levensgevaarlijk om de gnosis overmatig te ontpersoonlijken, want dan wordt het allemaal wel heel steriel en klinisch. Pas op voor het farizeisme hierin, want het is een gemaskerd gebrek aan empathie en gemaskerde luiheid. Persoonlijkheid mag niet overschat worden, maar ook niet onderschat. Karl Barth wees erop dat tot hun schade veel mensen God’s persoonlijkheid niet serieus namen.

 

 

 

 


------------------------------------------------------------------------------------------------------

voetnoten :

 


1) (zie Karl Barth’s nieuwe dogmatiek, de reformatie, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, jaargang 13, 16-23 december 1932, door Klaas Schilder).